Wonen wij te lang in Tel Aviv?

Vriendin R wees me er afgelopen week fijntjes op dat ik inmiddels rijd als een Israëliër: ze had een stukje achter me gereden op weg naar de busstop en het was haar opgevallen dat ik niet één keer mijn richtingaanwijzers had gebruikt. We lachten er met z’n allen hartelijk om en er was herkenning alom, we lijken allemaal wat af te zakken in ons verkeersgedrag. Maar om eerlijk te zijn, trots ben ik er niet op. Goed dat R me erop wees, want dat soort verkeersgedrag kan ik niet echt waarderen in een ander. Bovendien rijd ik over een paar weken weer rond in Nederland. Het zou toch fijn zijn als dat zonder kleerscheuren en boetes gepaard kan gaan…

Dit voorval riep bij mij de algemene vraag op of we na ruim een jaar Israël misschien wat al te veel “verisraeliesd” zijn (ik weet het, dat is geen goed Nederlands!). De jongens bijvoorbeeld, uiten te pas en te onpas hun trots op de Israeli Defence Forces (IDF). “De IDF is echt het allerbeste leger van de hele wereld!” en “Als ik groot ben, ga ik bij de IDF om Israël te verdedigen”. Gelukkig hoor ik ook andere toekomstwensen, zoals net als papa diplomaat worden of – Benjamins grote wens – bergbeklimmer worden. Maar die IDF, dat is wel een dingetje hoor. Net als de Amerikaanse Air Force. De vader van twee vriendjes is hier gepost vanwege zijn positie bij de Air Force en ja, dat prikkelt de fantasie van onze jongens bijzonder. Ik vermoed dat ook jongens die in Nederland wonen af en toe door zo’n fase gaan, maar leven in een land dat voortdurend in conflict is met andere landen en waar militairen op straat en gevechtshelikopters in de lucht heel normaal is, ja, dat doet wel iets met de geest van een kind. Ik kan niet zeggen dat ik er blij mee ben. Anderzijds, ik merk dat het mij steeds minder opvalt. Die jonge meisjes in hun groene uniform voor me in de rij bij de kassa, hun mitrailleur over hun schouder als een damestasje. Het hoort er hier bij.

Op Facebook circuleert momenteel een artikel met als titel “20 signs you have been in Tel Aviv too long” (http://bubbleperspectives.wordpress.com/2014/11/03/20-signs-youve-been-in-tel-aviv-too-long). Gretig las ik het door om het vervolgens voor te lezen aan mijn ouders – zij waren bij ons op bezoek afgelopen week. Ja, er was herkenning. En nee, ik denk niet dat we hier te lang zijn :). Maar waakzaamheid is geboden. Mijn assertiviteit ten opzichte van onvriendelijk winkelpersoneel is erg gegroeid en dat is eigenlijk erg on-Ceciels om nog maar wat slecht Nederlands er tegenaan te gooien. Ik wil jullie de genoemde “20 signs” niet onthouden, ze zijn vermakelijk en geven een aardig beeld van onze huidige leefomgeving!

1. You use the word Yalla for every occasion

Nou nee, noch Arjen, noch ik gebruiken dat woord. Het woord balagan gebruik ik dan weer wel steeds vaker (vrij vertaald betekent dat chaos)…

2. You always show up to a party at least 30 minutes or an hour late

Wij zijn nog steeds aardig op tijd voor afspraken, maar moeten dan regelmatig constateren dat dit alleen voor ons geldt… Naar recepties gaan we inderdaad steeds later…

3. Anything more then 5 minutes travelling is far

Dit is voor onszelf helemaal niet herkenbaar, maar we merken dat dit voor velen om ons heen geldt. Israël is een klein land. Voor ons, gewend aan naar Frankrijk rijden voor een weekje skiën of kamperen, zijn de afstanden hier erg klein en we gaan er graag op uit met de jongens!

4. You know where the nearest bomb shelter is located

Helaas wel ja. En de kinderen kennen de drills, zowel voor raketaanvallen op school, onderweg of thuis als voor het betreden van het schoolterrein door bewapende slechterikken. 

5. You have a dog

Wie ons een beetje kent weet dat hier slechts één reactie de juiste is: NOOIT!

6. You drink only Goldstar

Tot mijn schaamte moet ik mijn oud-Heineken collega’s bekennen dat Goldstar inderdaad vaak favoriet is buitenshuis. Thuis wordt echter uitsluitend Heineken geschonken. 

7. You know how to get drunk in the city without spending too much money

Dit is denk ik meer iets voor een andere generatie. Alhoewel, de maandelijkse mannen-borrel die Arjen organiseert, vindt plaats tijdens het happy hour van de plaatselijke pub :). 

8. You spend a big percentage of your salary on weddings

We hebben jammer genoeg nog geen Joods huwelijk mogen meemaken of een Bar / Bat Mitzwa. Lijkt me bijzonder!

9. You know how to exit Dizengoff center through the same door you entered

Was het maar zo! Wat een doolhof!

10. You know Jewish holidays = “They tried to kill us. We survived. Now let’s eat”

Precies! En we doen er graag aan mee! De jongens kunnen de verhalen achter de Joodse feestdagen inmiddels aardig vertellen. Bijzonder!

11. Soldiers carrying weapons no longer catches your attention

Zoals gezegd, dat klopt wel aardig inmiddels.

12. You believe flipflops go with everything

Persoonlijk draag ik ze niet, maar het klopt, flip flops zijn hier beslist Het Schoeisel. Hoewel, zodra er een spatje regen is gevallen, worden de laarzen uit de kast getrokken. Of het nu warm is of koud. Zie nummer 16.

13. You know the names of all the beaches and which one to go to

Ja, ja, ja! Heel belangrijk! Vorig jaar hadden we met vrienden afgesproken bij Yam beach. We kenden de namen van de stranden nog niet goed en dachten dat het om het strand bij restaurant Yam 7 ging. Not. Het was het strand bij Nof Yam (ruim een kilometer verderop). Heel belangrijk dus als je een sociaal leven op het strand wilt hebben!

14. You are no longer affected by rudeness

Ik denk dat ik hier nooit echt aan zal wennen, maar merk een toenemende mate van assertiviteit bij mezelf die wel helpt om ermee om te gaan. Zo fijn dat dat in Nederland niet of nauwelijks nodig is…

15. 5 minutes of rain means that winter is here and we need to make soup

We blijven wel Nederlands hoor, een spatje regen is voor ons heel normaal. We gaan rustig naar het strand bij zware bewolking. De kinderen echter, blijken er steeds duidelijker anders over te denken. Regen is voor hen tamelijk uitzonderlijk. In Israël kunnen maanden voorbij gaan zonder regen…

16. You know to bring a sweater with you to the cinema during boiling hot summer days

Ik heb altijd een omslagdoek in mijn tas! Ook in shopping malls. Of bij meetings op school. Airconditioners staan meestal op  een temperatuur ingesteld 7 graden kouder dan buiten…

17.  You do most of your shopping from home

Nee. Want ik lees en schrijf geen Ivriet en alle formulieren voor shopping via internet zijn in Ivriet… Maar er zijn supermarkten die ik inmiddels vermijd omdat het er zo overvol is met jongens en meisjes die kratten vullen met boodschappen die afgeleverd moeten worden en dat is met name bij de kassa erg ingewikkeld…

18. You know how to make a kombina

Dit zegt me eigenlijk niets. Maar dat Israëliërs op zoek zijn naar een goede deal, ja, dat is wel bekend…

19. You order Café Hafuch instead of Cappuccino

Natuurlijk! Café Hafuch Kadol (een grote cappuccino). Dat is dan ook een van de weinige dingen die ik in het Ivriet kan zeggen zonder me ongemakkelijk te voelen :).

20. You experience withdrawal sympthoms if stranded without Hummus

JA!!! Afgelopen zomer hebben we zelfs tijdens onze vakantie in Nederland hummus gekocht bij Albert Heijn. We konden niet zonder! Zelfs Thomas heeft inmiddels een mening over de smaak van hummus (de ene is de andere niet!).

 

Skypend werken en ander leed

Ik zit aan mijn bureau. Het is twee uur ’s middags en ik zit te wachten op mijn collega’s waarmee ik een belangrijke werkbespreking heb. Ik ben – heel Nederlands – op tijd, ben goed voorbereid, heb alle alle relevante stukken “open staan” op mijn laptop en mijn aantekeningen van de vorige bespreking liggen voor me. Vooralsnog ben ik echter alleen. Alleen op Skype wel te verstaan. Niemand reageert op mijn chat bericht waarin ik vraag of iedereen klaar is voor de bespreking. Om kwart over twee ontvang ik een chat bericht: “Just woke up, sorry! Need a coffee, will join you a.s.a.p”. Het bericht komt van collega S uit de Verenigde Staten. Ach ja, bij haar is het nu 6 uur ’s ochtends, dan kun je je wel eens verslapen. In Kenya is het echter twee uur ’s middags,, net als hier in Israël. Mijn collega’s daar kunnen zich niet verslapen hebben, toch? Collega L is offline, Ik stuur haar een korte e-mal: “Hi! Where are you? We had planned a meeting from 2 to 3…”. Vooralsnog geen antwoord en ook geen verandering in haar online-status. Dan komt er een berichtje van collega M, eveneens in Kenya: “Are we meeting today?” …. In reactie op mijn bevestiging vraagt ze om 10 minuten uitstel, de regionaal directeur heeft haar even nodig. Uiteindelijk start de meeting rond half 3 terwijl ik om 3 uur de kinderen van school moet halen. De meeting start bovendien zonder collega L die simpelweg niet reageert op e-mails en die ook haar telefoon niet opneemt wanneer collega M haar belt om te achterhalen waarom ze er niet is.

Bizar verhaal? Niet realistisch? Forget it. This is the story of my working life! Serieus. dit overkomt me minstens eens per week en in weken met veel meetings gebeurt het vaker. Ik werk vanuit huis, op afstand van mijn opdrachtgever en van de mensen waarmee ik samenwerk. We werken niet alleen vanuit verschillende plekken op de wereld, ook leven we in verschillende tijdzones en hebben we uiteenlopende culturele achtergronden. Daar komen nog wat taalverschillen bij en problemen met internetverbindingen die buiten Europa en de VS helaas niet zo betrouwbaar zijn. tja, uitdagingen genoeg zeg maar.

Ik ben enorm dankbaar dat ik werk heb, al is het dan niet bij een opdrachtgever in Israël. Dat blijkt namelijk niet eenvoudig. Niet alleen vormt de taal een obstakel, ook de arbeidswetgeving werkt niet echt mee. Tot nu toe heb ik slechts één reële optie om in Israël te werken gehad, waarbij ik minstens 40 uur per week zou moeten werken voor een lager salaris dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik zou minder verdienen voor die 40 uur (plus) dan ik nu verdien met een kleine 20 uur werken per week. Het betrof bovendien werk dat me inhoudelijk totaal niet aansprak en wat totaal niet aansluit op mijn kennis en ervaring. Ik heb dus niets te klagen. En toch doe ik dat af en toe hartgrondig. Werken op afstand met tijds- en cultuurverschillen is namelijk niet altijd eenvoudig. Met name het verschil in cultuur vormt soms een obstakel. Ik heb me niet eerder gerealiseerd hoeveel impact dat heeft op samenwerking.

Zo ben ik gewend aan werken met duidelijke targets, deadlines, plannen, afspraken en met het uitgangspunt afspraak = afspraak aan de basis van de werkrelatie. Natuurlijk, daar komt wel eens iets tussen en dat laat je elkaar dan – indien mogelijk tijdig – weten. Heel Nederlands weet ik inmiddels. Nu werk ik voornamelijk met mensen in verschillende Afrikaanse landen en met mensen in de Verenigde Staten. Ze werken voor een NGO, een non-governmental organization. Een NGO is een non-profit organisatie die zich inzet voor een maatschappelijk belang. Dat is mooi. Alleen blijkt dat in dit geval in de praktijk te betekenen dat prioriteiten van dag tot dag kunnen veranderen als gevolg van noodsituaties en humanitaire rampen, maar ook vanwege andere, heel wat kleinere, afwijkingen van het reguliere. De organisatie cultuur is er een van totaal vertrouwen in het goede van de mens. In theorie is dat mooi, dat meen ik. In de praktijk brengt het echter met zich mee dat men het bijzonder moeilijk vindt om elkaar op verantwoordelijkheden aan te spreken. Als iemand niet komt opdagen bij een bespreking, zonder zich af te melden, gaan collega’s er vanuit dat er iets ergs gebeurd is. Geeft iemand al weken geen opvolging aan actiepunten? Geen probleem, hij/zij heeft het super druk en het regenseizoen leidt tot veel overlast in Kenya. Het gevolg van deze losse manier van werken is dat het maken van een planning weinig zinvol is, behalve dan deze pijnlijk duidelijk maakt wat de gevolgen zijn van zes weken oponthoud. Ik moet bekennen dat ik dat af en toe verschrikkelijk vind. Diplomatiek uitgedrukt. Ik voel me namelijk verantwoordelijk voor de afronding van dit project. Ik heb me gecommitteerd en wil het goed doen, ik wil resultaten boeken.

Ruim een maand geleden vond ik dat ik lang genoeg uitvluchten en excuses had geaccepteerd en heb ik de noodklok geluid. Mijn agenda had ik maanden lang vrijgehouden voor mijn opdrachtgever die me gemiddeld 24 uur per week nodig zou hebben. Die 24 uur haalde ik soms wel, vaker werden het in de praktijk (veel) minder uren omdat afspraken steeds gecanceld werden of zonder cancellation niet plaatsvonden, actiepunten niet werden opgevolgd, door mij opgestelde adviezen of documenten niet werden gereviewed etcetera. Ondertussen hield ik andere verplichtingen op afstand, ik meldde me niet aan voor lezingen omdat ik dacht een afspraak te hebben, ik maakte geen afspraken met vriendinnen en durfde me niet te committeren aan vrijwilligerswerk bij het Eritrees vrouwencentrum in Tel Aviv. Ik luidde dus de noodklok. En dat heeft gewerkt. Na enige discussie over het belang van het daadwerkelijk realiseren van doelstellingen en hoe samen te werken met de genoemde geografische afstanden en cultuurverschillen, gaf mijn opdrachtgever een duidelijke boodschap af aan de medewerkers in zowel de VS als in Afrika: zo kan het niet langer. En dat had effect. De bal ging eindelijk rollen. En hard.

Gisteren had ik een meeting met het senior management van de NGO waarvoor ik werk in Kenya. Vier managers, de country director, regionaal HR Manager en lokale HR Manager zaten in Nairobi in een vergaderzaal, ik zat achter mijn laptop in Israël en de Global HR Manager zat achter de hare in de VS. We bespraken de rangorde van alle functies in de organisatie in Kenya. Na maanden van trekken en duwen waren uiteindelijk alle functies beschreven en gewaardeerd en had de country director zijn feedback gegeven op dat alles. Best spannend is dan zo’n milestone meeting waarin het management team zich moet uitspreken over de rangorde. Die rangorde is immers bepalend voor de salarisniveau’s die medewerkers kunnen bereiken in hun functie. Na al mijn slechte ervaringen in de afgelopen maanden, was ik opgelucht en blij toen ik gisteren om half tien ’s ochtends opmerkte dat iedereen op tijd was (zelfs mijn collega in de VS waar het midden in de nacht was), dat de internetverbindingen overal werkten, dat iedereen voorbereid was en – misschien het belangrijkste van alles – dat de managers zich durfden uit te spreken over de rangorde. Niet heel Afrikaans namelijk, om je duidelijk voor of tegen iets uit te spreken. Het werd een constructieve bespreking waarbij het management ook met name onderling het gesprek aanging over de manier waarop de verschillende projecten worden aangestuurd en uitgevoerd. Het was louterend. De rangorde werd op vier functies na volledig ondersteund en goedgekeurd, afspraken werden gemaakt over harmonisatie van functienamen en over het creëren van betere carrièrepaden. Precies het soort issues waar ik ook mee te maken had toen ik  nog een normale baan had in Nederland.

En zo lijkt het erop dat ik mijn project in Kenya tot een goed einde kan brengen dit najaar terwijl ik de volgende twee projecten kan opstarten in Afrika en in Zuid Amerika. En daar ben ik best trots op.

Out of Africa

Strand bij The Lighthouse, ons favoriete plekje bij South Beach, ten zuiden van Dar es Salaam.

Strand bij The Lighthouse, ons favoriete plekje aan South Beach, ten zuiden van Dar es Salaam

De kleuren, de geuren, de geluiden, het ritme, de stranden en de zee, de sfeer en verbondenheid binnen onze vriendengroep, het avontuur, de weekendjes weg naar The Lighthouse, de roadtrips dwars door het land, langs akkers, dorpjes, kraampjes en kerkjes en moskeeën, de safari’s – zoekend naar de cheeta die we nooit zagen – en dat wat ik niet onder woorden kan brengen. Ik mis Afrika. Ik mis Tanzania. En daarin sta ik niet alleen. We missen Afrika allemaal. Arjen, Thomas, Benjamin en ik. Afrika gaat onder je huid zitten. Israël ongetwijfeld ook, maar zo ver ben ik nog lang niet. Dat zijn we geen van allen.

Tanzania en Israël zijn enorm verschillende landen. Er zijn overeenkomsten, absoluut. ik hoef maar te denken aan de “klantvriendelijkheid” in winkels en bij banken en overheidsinstellingen. Of aan het verkeer. De slechte kwaliteit van het werk van “fundi’s” (Swahili voor werkmannen). De uitdaging van het maken van een afspraak met zo’n werkman die vervolgens nooit komt opdagen op het moment dat je hem verwacht. Oh ja, er zijn veel overeenkomsten, overeenkomsten die mensen die uit een Westers en goed georganiseerd land komen, enorm kunnen frustreren. Want waar je in Tanzania verwacht dat de dingen nooit zo gaan als je zou willen, verwacht je in Israël een soepeler verloop van zaken. Israël heeft de looks van een modern land, maar achter de schermen valt er nog veel te ontwikkelen. Wat dat betreft hebben wij het veel gemakkelijker dan expats die hiervoor in een West Europese stad of in de VS woonden. Zij lopen voortdurend aan tegen dingen die het niet doen, mensen die hen onprettig (zeg maar onbeschoft) behandelen en klusjesmannen die niet komen opdagen of hun werk niet goed of niet volledig doen. ik haal daar mijn schouders voor op. Seen it, been there, done that.

Echter, in een ander belangrijk opzicht, hebben mijn nieuwe vriendinnen het veel gemakkelijker dan ik. Vriendin L woonde hiervoor met haar gezin in Litouwen en daarvoor in Kopenhagen, waar het niet gemakkelijk was vrienden te maken, zo vertelt ze mij.  Mijn vriendin P woonde hiervoor in Venetië en daarvoor in Rome, New York en Londen. Grote steden waar het echt een uitdaging is mensen te ontmoeten en te leren kennen. Zowel L en P verzuchten bijna dagelijks dat ze nog nooit zo’n gemakkelijker start hebben gehad in een nieuwe stad als hier, in Tel Aviv / Herzlyia. Beiden zijn hier, net als ik, recent komen wonen en hebben kinderen in de leeftijd van die van ons. We hebben elkaar ontmoet op school en het klikte. Met beide gezinnen trekken we nu geregeld op. Afzonderlijk. Dus niet met z’n allen tegelijk. We eten bij elkaar, de kinderen spelen met elkaar, we gaan samen naar het strand om te picknicken, om zandkastelen te bouwen en te genieten van de zonsondergang. Met L en P ontdek ik supermarkten en shopping malls, we wisselen adresjes uit voor lekker vlees, biologische groenten en vers brood (alledrie moeilijk te vinden). Met L en man en kinderen spreken we vaak af op zondag. Zij zijn Joods en zaterdag is hun heilige dag die ze doorbrengen in en rondom Synagoge en huis, met andere Joodse gezinnen. Met P en man en zoontjes, spreken we juist af op zaterdag aangezien hij vaak op zondag werkt. Arjen en ik zijn ontzettend dankbaar en blij dat we deze gezinnen al zo snel hebben leren kennen en dat we dus al een soort van sociaal leven hebben. Maar…

Maar het is niet zoals het in Dar es Salaam was. Heel irritant, die vergelijking dringt zich iedere keer weer op. Vooral op zaterdag. Zaterdag was Yacht Club dag. En wat missen we de Yacht Club. En de mensen die we er ontmoetten. En de boot die er lag. Op zaterdagmiddag -iedere zaterdagmiddag – wordt er op de Yacht Club een catamaran wedstrijd gezeild. Arjen probeerde daar zo vaak mogelijk aan mee te doen. Voor hem was dat het ultieme sportieve moment van de week. De boot waarop hij zeilde, een Nacra Infusion, is zoiets als de Porsche onder de catamarans in zijn klasse. Een gestroomlijnde boot waarmee hij op zo hoog mogelijke snelheid de golven trotseerde. Het competitie element maakte de middag compleet. Het was iedere keer weer leuk om te zien hoe de ene boot na de andere binnendruppelde en de mannen (vooral mannen) hun prestaties vergeleken en de kritieke momenten herbeleefden  onder het genot van een biertje. Ondertussen werd de pizza oven aangestoken en werd het druk op het pizza deck. Want zaterdagavond was (en is) pizza night op de Yacht Club. Het bijzondere aan die avond was dat je zelden expliciet met iemand afsprak om er samen te eten, maar dat je de avond uiteindelijk altijd afsloot aan een lange tafel met vrienden. Biertjes, gin tonics, glazen wijn en flessen water op tafel, grote borden met pizza’s die gul onderling werden uitgewisseld. Kinderen die rond renden op het strand, op de rotsen klommen en verstoppertje speelden tussen de boten. Pure romantiek. Echt. Gesprekken konden opeens heel diep en intens worden, terwijl het andere keren vooral gezellig en relaxed was. Altijd werd er volop gelachen en regelmatig werden aan tafel bezoekende familieleden of vrienden uit Nederland voorgesteld. Uit Nederland? Ja, uit Nederland. Want hoewel Dar es Salaam een heel gevarieerde expat community heeft, bestond onze vriendengroep toch vooral uit Nederlanders.

In Dar es Salaam woonden we op het schiereiland. Msasani. Een redelijk klein gebied waar zo’n beetje alle expats wonen. Niemand woont verder dan 5 minuten rijden bij je vandaan. Iedereen doet op dezelfde plekken boodschappen, als je naar het strand gaat is dat op de Yacht Club en als je naar het zwembad gaat is dat meestal ook op de Yacht Club waar dan ook vrijwel iedereen lid van is. Er zijn enkele leuke restaurants waar je elkaar ontmoet. Samen eten doe je in een van die restaurants. De keren dat we bij iemand thuis hebben gegeten, kunnen we op twee handen tellen denk ik. Omdat het schiereiland zo klein is en het aantal goede faciliteiten beperkt, kom je elkaar altijd en overal tegen in Dar. In de supermarkt, bij de bakker, op school, bij de dokter. Als ik even niemand wilde zien, kon ik maar het beste thuis blijven. Ik geef toe: dat kleine heeft me enorm benauwd. Soms werd ik er helemaal gek van. Dan had ik het gevoel totaal geen privacy te hebben. Buiten de deur kwam je altijd wel iemand tegen waarmee je een praatje “moest” maken en binnenshuis was er altijd je staf die schoonmaakte, kookte, zong en kletste.

Herzlyia lijkt in een opzicht op Msasani. Het is relatief klein en er wonen vrijwel uitsluitend expats. Maar daar houdt de vergelijking op. Er zijn hier namelijk heel veel goede restaurants, de stranden zijn aaneengeschakeld van Netanya tot Tel Aviv (en verder) en hebben allen hun eigen publiek en “vibe”. Alleen al in Herzlyia zijn meerdere shopping malls waar je terecht kunt voor je boodschappen, een cappuccino, een nieuwe jurk of een paar schoenen.  Daarbij komt dat we hier in Herzlyia geenszins zijn aangewezen op Herzlyia alleen, zoals dat op het Msasani Peninsula in feite het geval is. We hebben Tel Aviv om de hoek met nog meer shopping malls, mooie boetiekjes, musea en art galleries en restaurants, er is Netanya dat lekker handig dicht bij de Amerikaanse school ligt. Daar is onder meer IKEA gevestigd en ook hier zijn wederom vele, vele malls. En dan heb ik het nog niet eens over de stadjes en dorpjes tussen Tel Aviv en Netanya. Of de mogelijkheden voor uitstapjes in onze omgeving in het weekend. Israël is zo klein, dat veel bijzondere plekken vanuit Herzlyia bezocht kunnen worden voor een dagje. Kortom: er is enorm veel keuze, er zijn heel veel – HEEL VEEL – mogelijkheden om je dag en weekend mee invulling te geven. Zo veel dat het vrijwel uitgesloten is dat je spontaan iemand tegenkomt. Een avond in een restaurant die eindigt aan een lange tafel, waar spontaan de ene na de andere familie aanschuift, zullen we hier niet meemaken.

Tja.

een man weet niet wat hij mist
weet niet wat hij mist
een man weet niet wat hij mist
een man weet niet wat hij mist
maar als ze er niet is
als ze er niet is
weet een man pas wat hij mist
oh als ze er niet is

Gaaf, Tel Aviv!!!

Paradijselijk Zanzibar

Paradijselijk Zanzibar

Februari 2013. Gladys, de Zuid Afrikaanse manager van de geweldige lodge waar vriendin S en ik de laatste dagen van ons Zanzibar avontuur doorbrengen, ligt enigszins aangeschoten in de strakke, betonnen “infinity” pool.  Aan de gezichtsuitdrukking van S zie ik dat ze zich hetzelfde afvraagt: hoeveel glazen witte wijn heeft Gladys inmiddels achterover geslagen? Ze lalt over over haar ontrouwe (of trouwe?) echtgenoot die te veel aandacht krijgt van de Duitse vrouwelijke gasten die de lodge frequenteren. Over haar ook al onbetrouwbare personeel, de barman die ze die ochtend aantrof op de grond van de strandbar waar hij zijn kater de baas probeerde te worden. Over veiligheid en onveiligheid. Over Zuid Afrika, Tanzania, de UK. De inhoud van nog een glas wijn vindt zijn weg naar haar ingewanden en het begint nu echt gênant te worden. S en ik hebben vier onvergetelijke dagen doorgebracht op Zanzibar. We slenterden door smalle Arabische straatjes, maakten foto’s van mooie doorkijkjes, dronken vele liters water, probeerden cocktails uit, observeerden toeristen op terrasjes, en ach, het was gewoon paradijselijk. Waarom vertel ik dit verhaal nu, terwijl ik ver van de magische witte stranden van Zanzibar verwijderd ben en in Tel Aviv woon? Welnu: vriendin S heeft een zus en die zus woont in Tel Aviv. Al meer dan tien jaar. Daardoor spraken we op Zanzibar veel over Tel Aviv, waar ik nog nooit geweest was en wat mij een vreselijke plek leek om te wonen. S probeerde uit te leggen waarom Tel Aviv zo bruisend, mooi en gaaf is. Ze was er al vele malen geweest en vertelde me dat ze er zich vele malen veiliger voelde dan in Dar es Salaam.

Was het toeval of moest het zo zijn, dat drie dagen nadat S vanuit Dar es Salaam terug naar Nederland was gevlogen, Arjen gevraagd werd of hij interesse had in de positie van Hoofd Economische Sectie in Tel Aviv? Diezelfde avond nog Skypeden wij met zus L van vriendin S. Zij wist onze angsten voor raketaanvallen en zelfmoordaanslagen voldoende weg te nemen  en we besloten voor Tel Aviv te gaan. Zo komt het dat ik vorige week wederom op stap ging met vriendin S. Niet in Dar es Salaam of op Zanzibar, maar in Tel Aviv. De rollen waren nu omgekeerd. Waar ik in Dar es Salaam de weg wist en de leuke plekjes kende, is S hier degene met alle kennis over mijn nieuwe leefomgeving. Ze kwam precies op het juiste moment. De dozen waren uitgepakt, het huis ingericht en ik begon last te krijgen van ernstige heimwee naar Tanzania en Dar es Salaam. Hier heb ik nog geen vriendinnen, heimwee ligt dan op de loer. En ik was een tikkeltje huiverig om in m’n eentje naar Tel Aviv te rijden. Het verkeer stond me tegen en ik had werkelijk geen idee waar ik naartoe zou moeten gaan in die enorme stad. En precies op het moment dat mijn heimwee naar Afrika ongezond begon te worden, arriveerde S die me snel ons huis uit sleepte…

Het avontuur begon met het ophalen van S bij North Cliff Beach. Dat is de meest noordelijke plek ten opzichte van Tel Aviv waar de groene fietsen kunnen worden ingeleverd. Groene fietsen? Ja, groene fietsen. Dit is een systeem dat sterk doet denken aan de witte fietsen in Park De Hoge Veluwe, maar dan betaald. Op vele plekken in Tel Aviv kun je groene fietsen huren voor een zacht prijsje. Alles is geautomatiseerd. Door je credit card in te voeren in een automaat, gaat het slot van een fiets open. Wanneer je klaar bent met fietsen, klik je de fiets weer vast in een slot op een (ander) groene fietsen punt. Het verschuldigde bedrag wordt van je credit card afgeschreven en klaar is kees. Anyway, vriendin S fietste vanuit de buurt waar haar zus woont naar North Cliff Beach waar ik haar met de jongens zou ophalen. Geen van ons wist echter precies waar North Cliff was. Ergens aan zee en ja, ergens in het noorden van Tel Aviv. Maar er zijn veel strandjes in Tel Aviv. Zelfs navraag bij de vrouw van een collega die hier al enige tijd woont, leverde geen uitsluitsel op. Arjen wist me echter te vertellen dat hij een groene fietsen punt had gezien bij een strand ergens in het zuiden van Herzlya en aangezien daar een klif is, besloten we dat dat dan wel North Cliff zou zijn. Met de jongens reed ik over de hobbelige strandweg naar het punt dat we in gedachten hadden en jawel, daar stond S. Perfect dus.

Het per auto ontdekken van mijn nieuwe omgeving werd die avond een tikkeltje avontuurlijker. S wilde me namelijk Neve Tzedek laten zien. Neve Tzedek was de eerste Joodse buurt die in 1887 buiten de muren van Jaffo werd gebouwd. Momenteel is het een hippe buurt met vele restaurantjes, boetiekjes en ijswinkeltjes (niet onbelangrijk…). S vond het een goed plan om zonder Waze of GPS naar Neve Tzedek te rijden, zodat ik de wegen naar en in Tel Aviv een beetje zou gaan begrijpen. Zo gezegd, zo gedaan en gewapend met de kaart van Tel Aviv en gezeten in ons Peugeotje, gingen S en ik op avontuur. Het bleek nog niet eenvoudig. Want om het enigszins uitdagender te maken, wilde S niet over de grote doorgaande wegen rijden – dat zou te gemakkelijk zijn – maar langs de zee. Heel mooi, de route langs de zee. Zeker ’s avonds, als de lichtjes aan gaan en zo… Alleen gingen we te vroeg van de doorgaande weg af, waardoor we die leuke route langs de zee misliepen en moesten zien terug te vinden. Lukraak reden we door straatjes die mogelijk ergens in de buurt van de zee zouden uitkomen. Wat was ik blij dat we in de Peugeot reden en niet in de grote gezinsauto! De straatjes leken steeds smaller te worden en om de haverklap moeten we u-turns maken omdat we toch de verkeerde kant op bleken te gaan. Maar we werden beloond! We vonden de zee en we vonden een parkeerplaats en ja, we vonden ook Neve Tzedek. Waar ik direct verliefd op werd… Ik waande me in Le Marais, voor Parijs-liefhebbers geen onbekende (Joodse) buurt. Smalle straatjes, mooie doorkijkjes, oude huizen die liefdevol zijn opgeknapt, soms met gebruikmaking van prachtige moderne architectuur. Lichtjes in bomen, bistro stoeltjes op de stoep voor kroegjes, wijnbarretjes, restaurantjes, mooie winkeltjes en een prachtig danstheater. Na een heerlijke maaltijd bij een Italiaans restaurant, zwierven we door de straatjes van Neve Tzedek en om heel eerlijk te zijn, voor het eerst sinds onze verhuizing naar Israël, zag ik hoe gaaf het is dat we hier zijn gaan wonen. Herzlya is leuk, daar niet van. Maar het is een soort enclave van rijke mensen, een soort Saint Tropez. Best leuk om een dagje te zijn tijdens je vakantie, maar om er iedere dag je boodschappen te doen, koffie te drinken, te lunchen of te winkelen, past minder bij ons. Een perfecte plek om te wonen met de kinderen, daar niet van en als ik straks weer aan het werk ben, is het een heerlijke rustige plek. Maar ik was blij te ontdekken dat er zoveel meer is en dat zo dichtbij. Dat het dichtbij was, daar kwam ik overigens pas achter toen we naar huis reden met de GPS aan. De doorgaande wegen brengen je in no time waar dan ook in Tel Aviv. En weer terug naar Herzlya.

Twee dagen na mijn avontuur met S, reden Arjen en ik dan ook over die doorgaande weg naar Neve Tzedek. Bijzonder om hem dit buurtje te kunnen laten zien. Het was voor het eerst sinds ons vertrek uit Dar es Salaam dat we een oppas hadden en weer eens echt een avond met z’n tweetjes hadden (ik tel de diners voor Arjens werk even niet mee). Samen ontdekten we leuke restaurantjes, straatjes en pleintjes, we aten heerlijk en maakten een praatje met een Italiaanse medewerkster van de beste ijssalon van Tel Aviv, die mij de geweldige combinatie pure chocolade met citroen aanbeval. Heerlijk. Heerlijk om Tel Aviv te ontdekken en te zien wat deze stad te bieden heeft. We zijn nog maar net begonnen, er is nog  veel te ontdekken in onze nieuwe leefomgeving. Maar wat geweldig dat het er allemaal is. Ik krijg er steeds meer vertrouwen in dat we hier een super tijd gaan hebben!

What’s in a (street)name?

Met het zweet op mijn voorhoofd probeer ik het alarm van onze huurauto tot zwijgen te brengen. Wat is het verschrikkelijk heet, zelfs in de parkeergarage onder ons appartement is het niet uit te houden. Zo dadelijk ga ik voor het eerst alleen een stukje rijden met de huurauto. De auto is beveiligd met een cijfercode en als je die code niet snel genoeg intoetst na het openen van de auto, gaat het alarm af. Nu kostte het me enige moeite de jongens zo ver te krijgen dat ze in de auto stapten. Er stond namelijk een té coole raceauto in de buurt van onze auto geparkeerd. En ik had nog niet echt door hoe snel dat alarm afgaat. Erg snel dus. En hoe vaak ik de (juiste!) code ook intoets, het alarm blijft loeien en in stilte ben ik dankbaar voor het feit dat de parkeergarage vrijwel leeg is. Ik heb geen behoefte aan nieuwsgierige blikken. Of hulp aangeboden in het Ivriet. Hoe goed ook bedoeld. Uiteindelijk kom ik op het lumineuze idee om de auto weer af te sluiten en daarna weer te openen en tot mijn grote opluchting, stopt het alarm prompt. In Israël worden auto’s alleen verzekerd wanneer er een cijferslot in is geïnstalleerd, ik kan hier maar beter aan wennen.

Hindernis één is overwonnen. Hindernis twee dient zich echter al binnen enkele meters rijden aan: het verlaten van de parkeergarage blijkt geen sinecure. Israël loopt enorm voorop als het gaat om de ontwikkeling van high tech en men is ook erg bedreven in het toepassen van die high tech in het dagelijks leven. Zo heeft deze parkeergarage een sensor met nummerbordherkenning die de slagboom bedient. Het idee is dat wanneer het nummerbord van je auto bekend is, je automatisch toegang krijgt tot de parkeergarage. En dat je er ook weer uit geraakt. Echter, zowel het in- als uitrijden van de parkeergarage is bij ons appartementencomplex vaker wel dan niet een probleem. Het feit dat de conciërge feilloos op de sensor vertrouwt, helpt niet echt. Of het feit dat hij geen Engels spreekt of, zo blijkt iedere keer weer, wilt spreken. Het kost me uiteindelijk circa 7 keer voor en achteruit rijden met de auto in de hoop dat de sensor “me ziet”, om de conciërge ervan te overtuigen dat de sensor het niet doet. Helaas denkt de conciërge dat dit niet aan de sensor ligt, maar aan mij en aan het nummerbord van de auto. Of ik a.u.b. even naar de receptie kan komen. NU. Ik probeer hem uit te leggen dat NU geen goed moment is daar ik ergens verwacht wordt. Maar hij wil NU mijn nummerbord opnieuw registreren, dat heb ik vast niet goed gedaan (hij spreekt nu opeens wel Engels overigens, niet eens slecht).  Uiteindelijk verlies ik mijn geduld en schreeuw ik bijkans in de microfoon dat ik NU eruit wil met mijn inmiddels niet meer zo blije kinderen achterin de auto. Het blijft een minuut stil aan de andere kant en dan gaat – verlossing, verlossing – de slagboom open en rijd ik de felle zon in.

Hindernis nummer twee is overwonnen. Nu nog mijn weg vinden naar het adres van de collega van Arjen. Het is de bedoeling dat ik samen met haar – de vrouw van Arjens collega – op pad ga om een Iphone abonnement af te sluiten. De jongens kunnen ondertussen met haar kinderen spelen. Ik ben al eerder op het betreffende adres geweest en heb goed opgelet waar het is en ik heb een GPS te leen van de ambassade. Moet lukken zou je zeggen. Toen ik in Dar es Salaam voor het eerst zelf op pad ging met de auto, stonden de tranen in mijn ogen en vervloekte ik inwendig Arjens weigering om direct een chauffeur in dienst te nemen, terwijl ik de hobbels in de weg trotseerde en me probeerde te oriënteren aan de hand van herkenningspunten (straatnaambordjes zijn geen wijdverbreid fenomeen in Dar es Salaam). Hier in Herzlya zijn geen hobbels in de weg, zijn er wel straatnaambordjes en is zelfs het gebruik van GPS mogelijk. Dus…

Dus raak ik de weg alsnog kwijt. Ja, ja, ik weet het. Ik ben vrouw en heb een oriëntatievermogen van ongeveer 0,01, maar toch had ik me dit iets anders voorgesteld met die GPS. De werkelijkheid blijkt weerbarstig. De “boosdoener”? Ivriet. Of misschien moet ik zeggen het feit dat ik geen Ivriet spreek. Of erger nog: lees. Alle straatnaambordjes zijn in het Ivriet, Arabisch en Engels. Het probleem is echter dat er geen eenduidige Engelse vertalingen zijn voor straatnamen in het Ivriet. Als gevolg daarvan kan het zo maar zo zijn dat het GPS systeem dat je gebruikt, een net iets andere vertaling hanteert van de straatnaam die je zoekt, dan die die aan je is doorgegeven. Mijn GPS kan de straatnaam die ik intoets in ieder geval niet vinden maar geeft me wel een naam die erop lijkt. Op goed geluk kies ik die, om er een paar kilometer verder achter te komen dat ik een totaal andere richting op wordt gestuurd dan ik me herinner van eerdere ritjes. Om een lang verhaal kort te maken, het kost me “wat” tijd en gepriegel met GPS en Waze, ettelijke u-turns (veel eenrichtingsverkeer in Herzleya), geïrriteerd getoeter, veel zweet en (om eerlijk te zijn) wat tranen en uiteindelijk kom ik ruimschoots te laat op het opgegeven adres aan. De tocht naar de mall om mijn mobiele telefoonabonnement af te sluiten blijkt vervolgens ook nog eens voor niets te zijn want met alle hoog technologische snufjes waar men in Israël over beschikt, kan het Iphone abonnement bij provider Golan echt maar door één genius worden afgesloten in die grote hightech winkel die toepasselijk BUG heet. En laat die genius nou net die dag niet op zijn werk te zijn komen opdagen… So far dus voor de techniek: zonder de juiste mensen kom je nergens. En zonder een goede Engelse vertaling of kennis van het Ivriet evenmin…

Grappig was dat ik enkele weken later opnieuw werd geconfronteerd met de betrekkelijkheid van GPS hier. Inmiddels verhuisd naar de Residentie van de Ambassadeur, zat ik te wachten op een nieuwe collega van Arjen die een hapje zou komen eten met mij en de kids (Arjen was in Londen). Ze kwam maar niet. En ze kwam maar niet. Ruim 2 uur later dan afgesproken kwam ze aan. Bezweet, gefrustreerd en moe (maar nog steeds vrolijk). Vol goede moed was ze die middag op de fiets vertrokken vanuit Tel Aviv. Een goede manier om de stad te leren kennen, Ook haar GPS had haar naar de verkeerde straat gestuurd. Zij was echter niet eerder op de Residentie geweest (ze was pas een week eerder in Tel Aviv aangekomen) en dus kon ze niet afgaan op eerdere ritjes. Ze kwam er aldus pas laat achter dat ze helemaal verkeerd zat en moest vervolgens een stuk fietsen om alsnog bij mij te geraken. Haar fiets heeft ze ’s avonds maar laten staan en ze is met een taxi naar haar hotel teruggekeerd. Leek ons toch verstandiger.

That was a close call…

“Vrijwel dagelijks denk ik wel een keer: that was a close call!”  Deze uitspraak deed een collega van Arjen enkele weken geleden tijdens het afscheidsetentje voor een vertrekkende collega. Wij haalden toen nog onze schouders op, tot dat moment ervoeren we het verkeer in Tel Aviv als een oase van rust in vergelijking tot de chaos die we gewend waren in Dar es Salaam.

We hadden op dat moment echter nog vrijwel geen ervaring met het verkeer in Tel Aviv.

Sinds de jongens naar Summer Camp gaan op AIS (American International School, http://www.wbias.net)  en ik twee keer per dag 18 kilometer heen en 18 kilometer terug rijd om hen te brengen en op te halen, moet ik toegeven dat de gedachte “dat ging maar net goed”, meer dan eens per week door mijn hoofd gaat. Of, om het in Thomas’ woorden te zeggen: “onze auto heeft goede remmen” en “die Israëliër doet ook maar gewoon waar hij zin in heeft, hè mama!”

Het verkeer is hier gekkenwerk. Geloof me, ik overdrijf niet. Ik begin al een radar te ontwikkelen voor auto’s die me waarschijnlijk gaan snijden. Ze halen in van rechts en van links, slalommen tussen het verkeer door, remmen fel en trekken fel op. Een driebaans snelweg kan zomaar in vier banen veranderen. Niet omdat hij breder wordt, maar omdat dat een of meer automobilisten even beter uitkomt. Niemand lijkt dit overigens gek, vervelend of gevaarlijk te vinden (behalve ik dan). Er wordt plaats gemaakt en na verloop van tijd voegen de uit de pas rijdende voertuigen in en rijden weer  mee in de reguliere stromen.

Fietsers op de snelweg, ook zo’n intrigerend fenomeen waar je je niet te veel over moet verbazen. Soms is de route over de vluchtstrook blijkbaar net iets sneller dan die over andere wegen (fietspaden zijn niet overal aanwezig) en met een racefiets is het natuurlijk heerlijk, die kilometers strak asfalt! Wandelaars zie je eveneens langs de snelweg overigens. Vanmorgen nog, liep een wat gezette oudere man gemoedelijk met een krantje onder zijn arm het verkeer tegemoet. Ik vermoed dat hij zijn krantje had gekocht bij het tankstation dat enkele honderden meters achter hem lag. Hij zag er heel relaxed uit, genoot zichtbaar van zijn ochtendwandelingetje… En dan heb je nog de bestuurders die even parkeren langs de snelweg. Soms om een telefoontje te plegen (zeldzaam, rijden en bellen tegelijk is hier eerder regel dan uitzondering), maar ook wordt de zijkant van de snelweg als parkeerplaats gebruikt. Er zijn namelijk bushaltes langs de snelweg en de vrije stukken asfalt in de nabijheid ervan worden op sommige plaatsen gebruikt als een soort P+R terrein. De plekken onder viaducten zijn vanzelfsprekend populair, vanwege de schaduw… Motorrijders dragen geen beschermende kleding, zij rijden – scheuren is een beter woord – gekleed in korte broekjes (helemaal “in”) en shirtjes, tussen het drukke verkeer door. Ze mogen blij zijn dat ik (en met mij hopelijk vele anderen) regelmatig mijn dode hoek check, ook als ik in de meest rechter baan rijd kijk ik regelmatig over mijn rechterschouder, want ook motorrijders halen op zeer hoge snelheid slalommend in, rechtsom of gewoon links. Levensgevaarlijk.

En dan is nog het fenomeen Waze. Waze is een geweldige routeplanner, een perfect functionerende app die vanaf dag één op mijn Iphone is geïnstalleerd. Terwijl ik Arjen instructies gaf op weg naar Caesaria, viel het me op dat ik geregeld berichten voorbij zag komen als “vehicle standing still on motorway” of “police ahead”. Klopte altijd, realtime informatie dus. Ik stond er niet echt bij stil, Israël is enorm ver in zijn technologische ontwikkeling, dit zou daar wel bij horen. Tot ik Waze laatst wat beter bestudeerde en zag dat er een button is waarmee je dit soort incidenten kunt melden, die dan direct worden verwerkt in de route informatie. Op dat moment herinnerde ik me weer dat gesprek met Arjens collega van een paar weken eerder, waarin hij ons vertelde over de gevaren in het verkeer. Hij verklaarde toen al dat Waze een enorme bijdrage leverde aan de onveiligheid in het verkeer. Dat zouden we nog wel ontdekken. En inderdaad, steeds vaker valt het me op: slingerende auto’s, ongecontroleerd rijgedrag. Bij het passeren zie je steeds hetzelfde: de bestuurder zit te bellen of is anderszins druk in de weer met zijn telefoon. Waze? Misschien. Gevaarlijk? Beslist.

In Tanzania was de kans dat je door een verkeersongeluk in het ziekenhuis belandde, groter dan dat je op diezelfde plek terechtkwam door malaria of dengue. In Israël geldt hetzelfde, alleen gaat het dan om het risico op een verkeersongeluk versus het risico van gewond raken (of erger) bij een raketaanval of bomaanslag… En dus houd ik beide handen aan het stuur en gebruik ik mijn spiegels ook als het niet nodig lijkt. Net als in Tanzania.

Houvast en een verhuizing in etappes

We staan in de rij voor de incheckbalie van KLM op Julius Nyere International Airport, Dar es Salaam. Het is vrijdagavond 7 juni 2013. We vormen een ongetwijfeld bijzonder aanzicht in de rij. Arjen aan de balie met ons stapeltje paspoorten, iets achter hem sta ik, omringd door zeven koffers, een gesealed autostoeltje, vier trolleys,  twee laptoptassen en twee uitgeputte maar nog steeds schattige hoogblonde  jongetjes gekleed in pyama’s. We hebben het warm, zijn te dik gekleed voor het warme, vochtige weer in Tanzania, maar weten dat we het al snel koud zullen krijgen in het vliegtuig. Ik ben emotioneel, de tranen staan me nader dan het lachen. Een Nederlandse consultant achter ons in de rij, vraagt me na ons een tijdje geobserveerd te hebben, hoe wij hier in Godsnaam verzeild zijn geraakt. Ik leg hem uit dat we op het punt staan te verhuizen van Dar es Salaam naar Tel Aviv en ik zie hem denken: wat doe je je kinderen aan? Mogelijk zijn er meer mensen die zich dat afvragen en heel af en toe, als ik het zelf ook even te moeilijk heb met alle veranderingen. vraag ik het me eerlijk gezegd ook wel eens af.

Onze verhuizing begon in feite 10 dagen voor het uiteindelijke vertrek met de KLM Boeing die ons naar Amsterdam bracht en wel op het moment dat we ons huis in Dar es Salaam verlieten en onze intrek namen in het Double Tree Hotel. Dit is een allesbehalve traditionele verhuizing, maar een verhuizing in etappes die voor doorgewinterde expats wellicht “normaal” is. Ik vind het persoonlijk verre van normaal en ervaar het als aardig stressvol. Een verhuizing in etappes betekent in ons geval dat we sinds eind mei al op 4 verschillende plekken hebben “gewoond”. Eerst een dag of tien in het eerder genoemde Double Tree Hotel in Dar es Salaam, vervolgens een week in een vakantiehuisje in Kijkduin gevolgd door drie weken in een appartementje in Herzelya Marina. Momenteel verblijven we in het huis van de Ambassadeur (ook wel Residentie genoemd) in afwachting van het moment dat ons huis vrijkomt en geschilderd is.

Zoals we Dar es Salaam verlieten, zo kwamen we ruim een week later aan in Tel Aviv. Het contrast tussen de twee luchthavens had niet groter kunnen zijn. Julius Nyere is een alles behalve moderne airport. Na er twee jaar lang regelmatig geweest te zijn, zijn we er echter wel aan gewend geraakt en er aankomen stond inmiddels gelijk aan thuiskomen. De wat gebrekkige veiligheidscontroles (iedere keer weer troffen we na aankomst in Nederland een fles water of pakjes sap aan in een rugzak of trolley…), de typisch Afrikaanse geuren en sfeer, de winkeltjes met de hoog opgestapelde onvermijdelijke Tanzania souvenirs… Alles ziet er een beetje viezig en oud uit en velen vragen zich geregeld af of de radar op Nyere het nu doet of  niet.

En dan is daar Ben Gurion. Ik vermoed – maar weet het niet zeker – dat we aankwamen in terminal 3, de nieuwste terminal die geldt als een van de modernste ter wereld. Een prachtige galerij leidt de aankomende passagiers om een ronde hal met in het midden en indrukwekkende “omgekeerde” fontein: het water valt er als in een onondebroken waterval vanuit een lichtkoepel recht naar beneden.  Impressive. Naar beneden kijkend, de ronde hal in, zie ik moderne koffiebarretjes met glimmende espresso apparaten, hippe stoeltjes en tafeltjes en alles lijkt te glanzen. Voor de bagageband worden we welkom geheten door collega W, Hoofd Bedrijfsvoering op de Ambassade. Hij heeft heel optimistisch een karretje klaargezet voor onze bagage, Arjen haalt er snel nog twee bij en in no time verlaten we de bagage hal met al onze bagage (die in Nederland verder is uitgebreid met een tweede autostoeltje en een mountainbike…).

Verhuizen in Nederland betekent dat je je nieuwe woonplaats of je nieuwe straat, meerdere malen hebt verkend voordat je besluit er een huis te huren of kopen. Ook weet je dat je de plek die je verlaat, any time opnieuw kunt bezoeken. In de praktijk komt het daar misschien niet zo vaak van als dat je je had voorgenomen, maar het kan. Voor mij was Tel Aviv een onbekende stad, ook Israël had ik niet eerder bezocht en Tanzania zal ik hopelijk nog eens terugzien tijdens een vakantie, maar ik kan er niet “zo maar”even langsgaan en mochten we er ooit terugkeren is de kans aanzienlijk dat er niemand meer woont van onze huidige vriendengroep. We dachten te weten in welk huis we uiteindelijk zouden gaan wonen, dat gaf nog enig houvast en de kinderen verheugden zich enorm op “ons strandhuis”. Helaas werd ons in ons eerste tijdelijke onderkomen direct een lijstje met te bezichtigen huizen in de handen gedrukt. Al de volgende dag zouden we in de middag worden opgehaald door een makelaar die ons mee zou nemen langs een reeks huizen en dit proces zou zich enkele dagen achter elkaar herhalen met verschillende makelaars. Hoezo? Tja, evenals vele (misschien wel vrijwel alle) Nederlandse bedrijven en de volledige Nederlandse Rijksoverheid, moet ook het Ministerie van Buitenlandse Zaken de broekriem aanhalen. Het huis waar wij via Skype verliefd op waren geworden, was door de nieuwste aanmerkelijk verlaagde huurnormen te duur geworden. We moesten op zoek naar iets anders. En dat was een koude douche.

Arjen en ik hebben een hele trits huizen bekeken, mooie (veel te dure), minder mooie (en nog steeds veel te dure) en bijzonder slecht onderhouden en veel te kleine exemplaren die ook nog steeds boven de huurnorm lagen. Het enige alternatief bleek uiteindelijk een huis te betrekken ruim 18 kilometer van Herzelya Pituach vandaan (en dus nog verder van Tel Aviv verwijderd) , in het dorp waar de Amerikaanse school gevestigd is. Dat leek ons even aantrekkelijk, dichtbij school wonen heeft zo z’n positieve kanten immers. Dit dorp maakte echter een enorm geïsoleerde indruk op ons en de verhalen die we erover hoorden bevestigden dat beeld. Enkele jaren geleden heeft de Ambassade zelfs tussentijds een collega moeten laten verhuizen vanuit Even Yehuda naar Tel Aviv omdat de collega in kwestie echt ongelukkig was zo ver van alles en iedereen verwijderd.

Precies op het moment dat we ons zorgen begonnen te maken over onze toekomstige leefomgeving, kregen we het verlossende bericht dat het de leiding van de Ambassade alsnog was gelukt een goede deal te treffen met de eigenaar van ons droomhuis, waardoor dit huis toch bereikbaar werd. Wat waren en zijn we blij daarmee! Houvast. Klinkt dat dramatisch? Misschien. Degenen die net als wij eerder internationale verhuizingen hebben meegemaakt, weten hoe zeer je naar houvast kunt snakken in den vreemde. Alles is immers anders dan we gewend waren. Ik had geen idee hoe zeer Afrika onder mijn huid was gaan zitten. Hoe zeer ik gewend was geraakt aan het wat rommelige, ongestructureerde leven in Tanzania, het lopen op slippers, de kuilen in de weg, het avontuur, de pizza avonden met vrienden op de Yacht Club. Ik wist me de eerste dagen echt niet goed raad met alle luxe om me heen in dat strakke appartementje dat uitkeek op luxe boten. Nu we zeker weten dat we ons huis aan het strand kunnen betrekken (al over 2,5 week!!) en dat onze container morgen aankomt in Ashdod en dat zelfs alle papieren rond zijn voor de inklaring van onze boedel, heb ik het gevoel dat ik licht zie aan het eind van de tunnel. Precies op het goede moment, daar Arjen snel nadat we te horen kregen dat het huis toch door zou gaan, naar Londen is gevlogen om een summer course te doen aan de London School of Economics.

In ons laatste tijdelijke onderkomen, de Residentie, is het overigens niet slecht toeven. Ik probeer ervan te genieten en zie de jongens tot rust komen nu ze weer ruimte om zich heen hebben. Het moeilijkste nu is ongetwijfeld Arjens afwezigheid en het feit dat we hier nog vrijwel niemand kennen. De mensen die we kennen via de Ambassade, zijn met vakantie in Nederland of zitten midden in hun eigen overplaatsingsstress (twee gezinnen staan op het punt te verhuizen richting respectievelijk Nederland en Rusland). Ik breng mijn dagen door met werken en met de jongens. Mijn avonden zijn volledig gevuld met Skype gesprekken met Arjen in Londen en Skype meetings met HR mensen en managers van Food for the Hungry. Een beetje eenzaam is het wel, maar ik heb er alle vertrouwen in dat we als we eenmaal in ons eigen huis wonen, omringd met ons eigen meubilair, we kunnen genieten  van de zonsondergang boven zee vanuit onze eigen tuin, het allemaal wel op z’n pootjes terecht komt. In Tanzania is het immers ook gelukt!