Over oude deuren en nieuwe deuren

Drie jaar geleden, op de dag af, sloten we een avontuur af. En begonnen we aan een nieuw hoofdstuk. Het Israel hoofdstuk wel te verstaan. Wanneer een deur sluit, opent een andere. Ik denk dat vrijwel iedereen zich vasthoudt aan die gedachte als er grote veranderingen op komst zijn. Maar op het moment dat die ene deur dichtgaat, weet je nog niet wat er achter de nog gesloten deuren op je wacht. Wij waren dan ook allevier verdrietig toen we op 7 juni 2013 Tanzania achter ons lieten. Israel lonkte, Tanzania zat echter onder onze huid.

Onlangs sprak ik een vriendin uit onze Tanzania tijd. Over mijn depressiviteit, over hoe ik in elkaar zit, waar ik aan werk. Zij herinnerde me eraan dat mijn mooie herinneringen aan Tanzania de moeilijke momenten lijken te hebben weggevaagd. Want ook daar wankelde ik af en toe. Had ik moeite met mijn nog nieuwe rol in het leven, zonder het “ik werk bij Heineken” credo achter mijn naam. Na een eerste ongemakkelijk gevoel – nooit fijn, geconfronteerd worden met minder leuke herinneringen – moest ik haar gelijk geven. Typisch hoe het menselijk brein werkt, hoe uiteindelijk de mooie avonden aan zee en de spannende safari’s je herinneringen domineren terwijl de moeilijke momenten, de frustraties, verbleken en vervagen tot ze er nooit lijken te zijn geweest.

Dat gesprek met die oude vriendin, het was misschien even wat ongemakkelijk, zelfs pijnlijk. Maar zo heilzaam en nuttig. Natuurlijk nam ik haar feedback mee naar mijn volgende online gesprek met mijn psycholoog. Tijdens dat gesprek en de daaropvolgende, pelden we langzaam lagen af uit mijn verleden, de moeilijke momenten analyserend, de fijne momenten evaluerend. Wat mijn grootste worsteling is geweest sinds het verlaten van Nederland, is het verlies van identiteit. Die “ik werk bij Heineken” gedachte. Ik was niet alleen Ceciel, moeder van Thomas en Benjamin, vrouw van Arjen. Ik was ook professional, ik ontwikkelde me, ik deed werk dat er toe deed binnen de kaders die ik van kinds af aan kende. Geld, aanzien en respect verdienen door je werk bij een bekend Nederlands bedrijf. Een leven als thuismoeder was iets waar ik me in die periode helemaal, maar dan ook echt helemaal niets bij kon voorstellen. En hoewel ik het nooit zo zou hebben gezegd in die tijd, denk ik dat ik het diep  van binnen afkeurde als andere moeders met bul op zak hun carrière aan de wilgen hingen.

Dat dus. Dat was mijn worsteling. Toe te moeten geven dat ik nu ook één van die moeders was. Met bul, zonder carrière. En hoe dat onderstreept werd als ik op een receptie stond en de zoveelste gesprekspartner me vroeg: ‘So tell me, what does your husband do?’

Toen ik moest onderkennen dat het echt niet goed met me ging, was mijn vervolggedachte een voor mij erg logische: ik moet gewoon weer een baan, een carrière. En: we moeten terug naar Nederland. Zodat alles weer normaal wordt en ik weer mezelf kan zijn.

Mezelf zijn? Is Ceciel dan niet zichzelf als ze geen geld verdient? Werkelijk? Is dat het enige dat ik waardevol vind aan mezelf? Daar was werk aan de winkel, constateerde mijn psycholoog tevreden.

Deze week heb ik het deel van mijn therapie dat puur over het overwinnen van de depressiviteit gaat, afgesloten. Een training Mindfulness is de logische laatste stap op mijn pad naar, uh, helemaal mezelf zijn? Misschien, zoiets. Ik ben al een heel eind gekomen kan ik met trots en blijdschap zeggen. Ik heb veel ontdekt in de afgelopen maanden. Heel simpele dingen zoals wandelen brengt mijn geest tot rust (maar ik raak niet meer in een vrije val als het wandelen er even niet van komt). En schrijven, dát vind ik pas leuk (en kan ik best goed!). Moeder worden en moeder zijn is het mooiste dat me in mijn leven is overkomen (Arjen ontmoeten staat met stip op nummer twee, ik wil mijn geliefde niet tekort doen!). Wat ben ik dankbaar dat ik er voor de jongens kan zijn als ze uit school komen met verhalen en met huiswerk. Dat ik speelafspraken voor ze kan regelen na school, hun vriendjes ken en de moeders van die vriendjes. Dat ik tijd heb om betrokken te zijn bij school, fantastisch fijn. En mijn bestuurswerk blijkt minstens zo uitdagend, zowel inhoudelijk als procesmatig, als dat werk bij good old Heineken. Nee, ik word er niet voor betaald. Maar de impact die mijn werk heeft op het beleid en het functioneren van de school is zichtbaar na twee jaar bikkelen.

Dus misschien gaat die Mindfulness me niet naar mezelf terugbrengen. Misschien ben ik al bij mezelf terug. Hopelijk gaat het me helpen nog net iets beter om te leren gaan met spanningen en onzekerheid. Want die zullen er het komend jaar volop zijn. Dat we drie jaar geleden Tanzania verlieten, betekent namelijk ook dat we aan ons laatste jaar in Israel beginnen. Ons overplaatsingsjaar is aangebroken en we zullen zien waar onze container vol hebben en houden naartoe zal varen. De overplaatsingssystematiek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gekenmerkt door aardig wat dynamiek. Hoewel onze plaatsing hier uiterlijk over een jaar eindigt, is het mogelijk dat we voor die tijd al verhuizen. Onzekerheid is dus troef en hé, laat het nou net mijn uitdaging zijn daar beter mee te leren omgaan. Dus kom maar op met die Mindfulness training! Ik kan ‘m wel gebruiken!

 

Skypend werken en ander leed

Ik zit aan mijn bureau. Het is twee uur ’s middags en ik zit te wachten op mijn collega’s waarmee ik een belangrijke werkbespreking heb. Ik ben – heel Nederlands – op tijd, ben goed voorbereid, heb alle alle relevante stukken “open staan” op mijn laptop en mijn aantekeningen van de vorige bespreking liggen voor me. Vooralsnog ben ik echter alleen. Alleen op Skype wel te verstaan. Niemand reageert op mijn chat bericht waarin ik vraag of iedereen klaar is voor de bespreking. Om kwart over twee ontvang ik een chat bericht: “Just woke up, sorry! Need a coffee, will join you a.s.a.p”. Het bericht komt van collega S uit de Verenigde Staten. Ach ja, bij haar is het nu 6 uur ’s ochtends, dan kun je je wel eens verslapen. In Kenya is het echter twee uur ’s middags,, net als hier in Israël. Mijn collega’s daar kunnen zich niet verslapen hebben, toch? Collega L is offline, Ik stuur haar een korte e-mal: “Hi! Where are you? We had planned a meeting from 2 to 3…”. Vooralsnog geen antwoord en ook geen verandering in haar online-status. Dan komt er een berichtje van collega M, eveneens in Kenya: “Are we meeting today?” …. In reactie op mijn bevestiging vraagt ze om 10 minuten uitstel, de regionaal directeur heeft haar even nodig. Uiteindelijk start de meeting rond half 3 terwijl ik om 3 uur de kinderen van school moet halen. De meeting start bovendien zonder collega L die simpelweg niet reageert op e-mails en die ook haar telefoon niet opneemt wanneer collega M haar belt om te achterhalen waarom ze er niet is.

Bizar verhaal? Niet realistisch? Forget it. This is the story of my working life! Serieus. dit overkomt me minstens eens per week en in weken met veel meetings gebeurt het vaker. Ik werk vanuit huis, op afstand van mijn opdrachtgever en van de mensen waarmee ik samenwerk. We werken niet alleen vanuit verschillende plekken op de wereld, ook leven we in verschillende tijdzones en hebben we uiteenlopende culturele achtergronden. Daar komen nog wat taalverschillen bij en problemen met internetverbindingen die buiten Europa en de VS helaas niet zo betrouwbaar zijn. tja, uitdagingen genoeg zeg maar.

Ik ben enorm dankbaar dat ik werk heb, al is het dan niet bij een opdrachtgever in Israël. Dat blijkt namelijk niet eenvoudig. Niet alleen vormt de taal een obstakel, ook de arbeidswetgeving werkt niet echt mee. Tot nu toe heb ik slechts één reële optie om in Israël te werken gehad, waarbij ik minstens 40 uur per week zou moeten werken voor een lager salaris dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik zou minder verdienen voor die 40 uur (plus) dan ik nu verdien met een kleine 20 uur werken per week. Het betrof bovendien werk dat me inhoudelijk totaal niet aansprak en wat totaal niet aansluit op mijn kennis en ervaring. Ik heb dus niets te klagen. En toch doe ik dat af en toe hartgrondig. Werken op afstand met tijds- en cultuurverschillen is namelijk niet altijd eenvoudig. Met name het verschil in cultuur vormt soms een obstakel. Ik heb me niet eerder gerealiseerd hoeveel impact dat heeft op samenwerking.

Zo ben ik gewend aan werken met duidelijke targets, deadlines, plannen, afspraken en met het uitgangspunt afspraak = afspraak aan de basis van de werkrelatie. Natuurlijk, daar komt wel eens iets tussen en dat laat je elkaar dan – indien mogelijk tijdig – weten. Heel Nederlands weet ik inmiddels. Nu werk ik voornamelijk met mensen in verschillende Afrikaanse landen en met mensen in de Verenigde Staten. Ze werken voor een NGO, een non-governmental organization. Een NGO is een non-profit organisatie die zich inzet voor een maatschappelijk belang. Dat is mooi. Alleen blijkt dat in dit geval in de praktijk te betekenen dat prioriteiten van dag tot dag kunnen veranderen als gevolg van noodsituaties en humanitaire rampen, maar ook vanwege andere, heel wat kleinere, afwijkingen van het reguliere. De organisatie cultuur is er een van totaal vertrouwen in het goede van de mens. In theorie is dat mooi, dat meen ik. In de praktijk brengt het echter met zich mee dat men het bijzonder moeilijk vindt om elkaar op verantwoordelijkheden aan te spreken. Als iemand niet komt opdagen bij een bespreking, zonder zich af te melden, gaan collega’s er vanuit dat er iets ergs gebeurd is. Geeft iemand al weken geen opvolging aan actiepunten? Geen probleem, hij/zij heeft het super druk en het regenseizoen leidt tot veel overlast in Kenya. Het gevolg van deze losse manier van werken is dat het maken van een planning weinig zinvol is, behalve dan deze pijnlijk duidelijk maakt wat de gevolgen zijn van zes weken oponthoud. Ik moet bekennen dat ik dat af en toe verschrikkelijk vind. Diplomatiek uitgedrukt. Ik voel me namelijk verantwoordelijk voor de afronding van dit project. Ik heb me gecommitteerd en wil het goed doen, ik wil resultaten boeken.

Ruim een maand geleden vond ik dat ik lang genoeg uitvluchten en excuses had geaccepteerd en heb ik de noodklok geluid. Mijn agenda had ik maanden lang vrijgehouden voor mijn opdrachtgever die me gemiddeld 24 uur per week nodig zou hebben. Die 24 uur haalde ik soms wel, vaker werden het in de praktijk (veel) minder uren omdat afspraken steeds gecanceld werden of zonder cancellation niet plaatsvonden, actiepunten niet werden opgevolgd, door mij opgestelde adviezen of documenten niet werden gereviewed etcetera. Ondertussen hield ik andere verplichtingen op afstand, ik meldde me niet aan voor lezingen omdat ik dacht een afspraak te hebben, ik maakte geen afspraken met vriendinnen en durfde me niet te committeren aan vrijwilligerswerk bij het Eritrees vrouwencentrum in Tel Aviv. Ik luidde dus de noodklok. En dat heeft gewerkt. Na enige discussie over het belang van het daadwerkelijk realiseren van doelstellingen en hoe samen te werken met de genoemde geografische afstanden en cultuurverschillen, gaf mijn opdrachtgever een duidelijke boodschap af aan de medewerkers in zowel de VS als in Afrika: zo kan het niet langer. En dat had effect. De bal ging eindelijk rollen. En hard.

Gisteren had ik een meeting met het senior management van de NGO waarvoor ik werk in Kenya. Vier managers, de country director, regionaal HR Manager en lokale HR Manager zaten in Nairobi in een vergaderzaal, ik zat achter mijn laptop in Israël en de Global HR Manager zat achter de hare in de VS. We bespraken de rangorde van alle functies in de organisatie in Kenya. Na maanden van trekken en duwen waren uiteindelijk alle functies beschreven en gewaardeerd en had de country director zijn feedback gegeven op dat alles. Best spannend is dan zo’n milestone meeting waarin het management team zich moet uitspreken over de rangorde. Die rangorde is immers bepalend voor de salarisniveau’s die medewerkers kunnen bereiken in hun functie. Na al mijn slechte ervaringen in de afgelopen maanden, was ik opgelucht en blij toen ik gisteren om half tien ’s ochtends opmerkte dat iedereen op tijd was (zelfs mijn collega in de VS waar het midden in de nacht was), dat de internetverbindingen overal werkten, dat iedereen voorbereid was en – misschien het belangrijkste van alles – dat de managers zich durfden uit te spreken over de rangorde. Niet heel Afrikaans namelijk, om je duidelijk voor of tegen iets uit te spreken. Het werd een constructieve bespreking waarbij het management ook met name onderling het gesprek aanging over de manier waarop de verschillende projecten worden aangestuurd en uitgevoerd. Het was louterend. De rangorde werd op vier functies na volledig ondersteund en goedgekeurd, afspraken werden gemaakt over harmonisatie van functienamen en over het creëren van betere carrièrepaden. Precies het soort issues waar ik ook mee te maken had toen ik  nog een normale baan had in Nederland.

En zo lijkt het erop dat ik mijn project in Kenya tot een goed einde kan brengen dit najaar terwijl ik de volgende twee projecten kan opstarten in Afrika en in Zuid Amerika. En daar ben ik best trots op.

Verjaardagen op z’n “expats'”

Israel 217

Een tractor vol vrienden

Ik heb al een jaar of drie geen kinderverjaardagsfeestjes meegemaakt in Nederland en toen we nog in Nederland woonden, waren Thomas en Benjamin nog maar 2 en 4 jaar oud. Het huis-tuin-en-keuken feestje met taart en koekhappen (bij wijze van spreken) was meer dan voldoende om ze een super feest te bezorgen. Ik heb dus geen ervaring met typisch Nederlandse verjaardagsfeestjes voor 5- en 7-jarigen. Maar ergens heb ik het gevoel dat die anders zijn dan de feestjes waaraan wij gewend zijn geraakt sinds we in het buitenland wonen en in het bijzonder sinds we in Israël wonen.

Het eerste kinderfeest waar ik met de kinderen naartoe ging na onze verhuizing naar Tel Aviv, was van een broertje en een zusje die respectievelijk 7 en 4 jaar werden. Mexicaans-Amerikaanse kinderen, Thomas en Benjamin zijn met beiden bevriend. Het was een waanzinnige happening. Geen idee hoeveel mensen er waren maar mijn inschatting is dat het om minstens 60 kinderen ging met voor vrijwel ieder kind een ouder. Laten we zeggen dat er circa 100 mensen waren. Natuurlijk worden zulke grote verjaardagsfeesten niet thuis gevierd, maar buitenshuis. En buitenshuis betekent hier in Herzlyia en omstreken meestal dat er gefeest wordt in een shopping mall. In de shopping malls zijn namelijk speelterreinen. Meestal betreft het zogenaamde “jymboree’s”, vergelijkbaar met Ballorig in Nederland.  Maar er is meer. In Ra’anana, een stad bij ons in de buurt, is er in de mall een heus sprookjesbos gebouwd waar kinderfeestjes kunnen plaatsvinden en in het winkelcentrum dat het dichtst bij ons huis ligt, de Arena, bevindt zich niet alleen een jymboree, maar ook een indoor kermis met botsautootjes, een carrousel, klimrekken en een hele rij speelautomaten.

Dit laatste speelparadijs was de plek waar we ons eerste grote kinderfeest meemaakten. Ik wist niet wat ik zag. Bij aankomst moesten we ons melden bij een balie waar de namen van de genodigden werden afgetekend op een lijst. Cadeautjes werden in winkelwagentjes gelegd. Er was voor iedere jarige een karretje. Die karretjes lagen al aardig vol met grote cadeau’s toen wij aankwamen. Ik voelde me enigszins gegeneerd vanwege onze bescheiden kleine LEGO cadeautjes. Maar ja, we zijn en blijven toch Nederlanders :). De jarigen kon ik nergens ontdekken, die waren lekker aan het spelen ergens in dat enorme speelparadijs. Mijn eigen kinderen raakte ik ook al snel kwijt. De botsauto’s lonkten. Er ging ruim een uur voorbij waarin de jongens zich af en toe bij mij meldden om iets te drinken of om opgewonden hun avonturen in het kinderparadijs te vertellen. Er stond een lange tafel vol met flessen water, sap en soda’s en bakjes met snoepgoed en pretzels waar we vrij gebruik van konden maken.

Ach, het was best gezellig zo. Ik kletste wat met andere moeders, maar had niet echt het gevoel me op een verjaardagsfeest te bevinden. Totdat de gasten door luidsprekers werden verzocht zich te verzamelen bij het podium. Even later klonken er harde beats en flitsten de discolampen, Thomas sprong op het podium en toonde z’n meest coole moves, Benjamin stopte zijn vingers in zijn oren en begon te huilen. Na de nodige disco muziek werd Happy Birthday gedraaid (met stevige beat eronder), waarna er twee enorme taarten werden binnengedragen, kaarsjes werden uitgeblazen en er gezamenlijk taart werd gegeten. Na de taart kwamen er hotdogs en zakjes met muntjes. Muntjes? Hmmm. Vreemd. Maar echt, het waren muntjes. Voor de speelautomaten. Ik gaf ze direct terug. Laat mijn kinderen maar gewoon in die botsauto’s of in de carrousel. Daar hadden ze overigens het rijk alleen de daaropvolgende 30 minuten. Alle andere kinderen verdrongen zich rondom de speelautomaten, totdat ze hun muntjes hadden opgemaakt. Ik wist niet wat ik zag.  Dat er geen cadeautjes werden uitgepakt in het bijzijn van de gasten, daar was ik al aan gewend, zo ging het op de niet-Nederlandse feestjes in Tanzania ook al. Toen we uiteindelijk na 3 uur het feest verlieten met twee enorme “goodiebags”, had ik een vaag gevoel van heimwee. Heimwee naar kneuterige kinderfeestjes in Nederland, met koekhappen, kleine cadeautjes, zelfgebakken taart en pannenkoeken. De jongens waren overigens over-enthousiast en de onderhandelingen over hun eigen verjaardagsfeestjes (die nog 8 maanden op zich zouden laten wachten) begonnen al in de auto op weg naar huis.

Want ook mijn kinderen wilden zo’n groots en cool feest. Thomas wilde alle eersteklassers uitnodigen (circa 40 in totaal) en Benjamin de hele pre-school (ongeveer een zelfde aantal). Minstens. En dan nog alle andere vriendjes en vriendinnetjes die in andere klassen zitten, plus de buurkinderen en de kinderen van mijn vriendinnen die op andere pre-schools zitten. Dit alles graag aangevuld met de opa’s en oma’s, ooms en tantes, neefjes en nichtjes uit Nederland en graag ook alle oude vriendjes en vriendinnetjes uit Tanzania en Nederland. Dat dit laatste niet ging lukken, kon ik ze wel goed uitleggen. Maar toen wij begonnen over zoveel kinderen uitnodigen als je nieuwe leeftijd en over gezellig thuis feestvieren  met koekhappen, een speurtocht in de tuin en pannenkoeken eten, barstte de discussie los. Gelukkig konden we het even laten rusten.

Afgelopen weekend was het zo ver. We vierden de verjaardagen van Thomas (die 7 was geworden een week eerder) en van Benjamin (die over 2 weken 5 wordt). Het werd niet het huis-tuin-en-keuken verjaardagsfeestje waarover ik fantaseerde. We hebben ons aardig aangepast aan onze nieuwe leefomgeving :).  Maar het werd ook geen hysterisch megafeest in een van de malls. In plaats daarvan nodigden we de door Thomas en Benjamin uitgekozen beste vriendjes en vriendinnetjes met hun broertjes en zusjes en ouders uit op een Kibbutz hier in de buurt. Een Kibbutz met kinderboerderij, twee springkussens, pita ovens en met een heuse tractor waarmee de kinderen en hun ouders een rit maakten over het grote terrein van de Kibbutz. Dat was natuurlijk het absolute hoogtepunt van het feest. De kinderen werden rondgereden, kregen uitleg over de Kibbutz en mochten zelf graan snijden op het veld waarna de tractor hen naar de koeienstal bracht. De koeien werden gevoerd met het zelf afgesneden graan, daarna reed de tractor ons naar de berggeiten die ook gevoerd mochten worden. Het afsluitend rapen van eieren in de kippenren, hebben we af moeten blazen omdat de tijd begon te dringen. Er moesten namelijk ook nog pita broodjes worden gebakken en gegeten voordat de kinderen naar huis gingen.

Het was ge-wel-dig. De jongens hadden beiden hun beste vriendjes en vriendinnetjes uitgekozen voor het feest, dat waren er in totaal 30. Meer dan ik normaal gesproken leuk zou vinden, maar ik moet zeggen. het was werkelijk een geweldige ochtend. Mede omdat deze 30 kinderen allemaal leuke ouders hebben, de meesten rekenen we tot onze vrienden en ze bleven vrijwel allemaal het hele feest erbij. Geen traditioneel Nederlands kinderfeestje denk ik, maar wat hebben de jongens en hun vriendjes en vriendinnetjes genoten… En wij hadden, voor het eerst sinds we hier wonen, al onze nieuwe vrienden bij elkaar. Gezellig dus. De taarten had ik zelf gebakken en ook op ons feest stond een tafel met gekoeld sap, water en soda’s, pretzels en groenten en fruit. Ja, we hebben ons goed aangepast…

Een nadeel van dit grote feest was overigens de enorme berg cadeau’s die we uiteindelijk mee naar huis namen. Ook wat dat hebben we ons aardig aangepast aan de mores van de internationale verjaardagsfeestjes in Tel Aviv. De cadeautjes werden thuis uitgepakt terwijl ik een lijst bijhield waarop ik noteerde van wie de jongens wat hadden gekregen. Een deel van de cadeau’s hebben we – heel Nederlands – weggelegd. Het is gewoonweg te veel voor de kinderen. Af en toe zullen we ze iets laten uitkiezen om mee naar de speelkamer te nemen.

Nu hoeven we alleen nog de bedankjes te schrijven en dan hebben we een jaar verjaardagsrust…

 

Op avontuur met mijn ouders

Laten we eerlijk wezen: hoeveel volwassenen gaan nog op avontuur met hun ouders? Naarmate we opgroeien, invulling geven aan ons eigen leven, een gezin stichten, beleven we onze avonturen steeds vaker met partner, kinderen en vrienden. Waar je als kind tijdens vakanties en weekenden met je ouders de wereld verkende, verandert dat naarmate je ouder wordt en er – natuurlijkerwijs – meer afstand ontstaat ten opzichte van je ouders.

Nu is de afstand tussen mijn ouders en mij fysiek erg groot tegenwoordig. Goed, Voorburg en Eijsden waren al niet direct bij elkaar in de buurt, maar de afstand tussen Tel Aviv en Eijsden is aanmerkelijk te noemen. Een jaar geleden woonden we nog in Dar es Salaam, de fysieke afstand was toen nog veel groter dan nu. Maar dat we ver bij elkaar vandaan wonen mag duidelijk zijn. Die fysieke afstand zou tot emotionele afstand kunnen leiden. Dat gebeurt, ik zie het om me heen. Bij ons heeft het eerder omgekeerd uitgepakt. We hebben geleerd goed gebruik te maken van de mogelijkheden die internet tegenwoordig biedt. En sinds we in Israel wonen, is de afstand niet alleen in kilometers maar ook in perceptie afgenomen. We spreken elkaar veel regelmatiger, soms dagelijks. Ik heb namelijk een geweldig mobiel abonnement waarmee ik tegen zeer lage maandelijkse lasten, onbeperkt kan bellen met vaste nummers in Nederland (hoe zeg je dat eigenlijk in het Nederlands, “landlines”? Mijn Nederlands gaat achteruit!!!).  En omdat de vluchten hier naartoe niet zo lang duren en daarmee minder belastend zijn en het klimaat in voor- en najaar heerlijk is, is het voor mijn ouders ook gemakkelijker geworden ons hier op te zoeken. Tot mijn blijdschap zijn ze Herzlyia al een beetje als thuis gaan beschouwen. Dat was duidelijk te merken toen ze hier afgelopen week waren. Ze hebben al hun eigen koffietentje aan het strand, kennen de weg, herkennen onze vrienden en hun kinderen.

Wat ik nu als een groot voordeel ben gaan ervaren aan ons expat-avontuur, is dat het mij weer de kans geeft op avontuur te gaan met mijn ouders. Als zij hier zijn, gaan we er samen op uit. In het weekend met Arjen en de jongens. Door de week, tussen mijn meetings door, terwijl de kinderen op school zijn, doen we dat met z’n drieën. En dat is bijzonder, we zijn ons daar alle drie erg van bewust. Rondstruinen door Yaffo, winkeltjes in en uit, ons samen verbazend over de mooie, bijzondere en gekke dingen die we zien. De vlooienmarkt doorkruisen, op zoek naar die ene mooie – en betaalbare – Menora (niet gevonden). Een bijzondere sieraden ontwerper ontdekken en horen waar hij zijn materialen vindt. Koffie drinken bij een aardig Arabisch mannetje en genieten van zijn “pastries” die we beslist moesten nemen omdat hij dreigde ze anders zelf op te eten hetgeen zijn gewicht geen goed zou doen. Naast Yaffo bezochten we samen Zichron Ya’akov, een oud dorp in de Carmel, een van de eerste Joodse settlements, nu een creatief centrum met volop mooie galerietjes,  bijzondere winkeltjes en terrasjes waar de lokaal geproduceerde wijnen worden geserveerd (in Zichron Ya’akov bevinden zich een aantal grote wijnhuizen).

Hoogtepunt van het bezoek van mijn ouders aan ons, was zeer beslist het bezoek aan Bethlehem. Voor mijn ouders was het bijzonder de duidelijk andere sfeer te proeven op de Arabische Westelijke Jordaanoever. De zeer sympathieke Arabische christenen die altijd open staan voor een praatje. Van de man die op onze auto lette op het plein voor de Geboortekerk tot de pizza-bakker op straat die de kinderen hun eigen pizza liet bakken.  Terwijl ik met mijn ouders onder begeleiding van een gids de Geboortekerk bekeek, kocht Arjen met de jongens een voetbal waarna ze op Manger Square een potje voetbal speelden tussen de geparkeerde auto’s, waarbij ze al snel gezelschap kregen van een groep Palestijnse jongens. Ronduit bijzonder was die pizza-bakker overigens, die zich over onze jongens ontfermde, ze hun handen liet wassen in een ruimte waar een groep mannen lekkernijen voorbereidden die de oven in moesten en ze water aanbood in een gebarsten oud glas. Bijzondere ontmoetingen in een bijzondere stad.

Op avontuur met mijn ouders. Hoe hadden we ooit kunnen bevroeden dat we ooit nog eens samen door Bethlehem zouden lopen, of dat we intense gesprekken zouden voeren op een muurtje bij de Annunciatie kerk in Nazareth? Met intense dankbaarheid kijk ik terug op de afgelopen week. Het verdriet was intens bij het afscheid op Ben Gurion afgelopen zondag. Niet alleen bij mij, ook bij de jongens. Samen op avontuur verstevigt de familiebanden enorm. En dat kunnen we op dit moment allemaal goed gebruiken zoals onze intimi weten. Ik hoop dat we allemaal nog lang energie kunnen putten uit de afgelopen periode en dat de fijne herinneringen ons helpen op dagen dat het even niet gemakkelijk is. Ondertussen kijken wij al uit naar het volgende bezoek, dat er beslist komt. Dat hebben we afgesproken.

Bij de "Nederlandse" deur van de Basiliek van de Annunciatie, mijn moeder met de beveiliger die haar zegende :)

Bij de “Nederlandse” deur van de Basiliek van de Annunciatie, mijn moeder met de beveiliger die haar zegende 🙂

Mijn ouders bij "hun" koffietentje, vlak voor vertrek terug naar Nederland.

Mijn ouders bij “hun” koffietentje, vlak voor vertrek terug naar Nederland.