Over oude deuren en nieuwe deuren

Drie jaar geleden, op de dag af, sloten we een avontuur af. En begonnen we aan een nieuw hoofdstuk. Het Israel hoofdstuk wel te verstaan. Wanneer een deur sluit, opent een andere. Ik denk dat vrijwel iedereen zich vasthoudt aan die gedachte als er grote veranderingen op komst zijn. Maar op het moment dat die ene deur dichtgaat, weet je nog niet wat er achter de nog gesloten deuren op je wacht. Wij waren dan ook allevier verdrietig toen we op 7 juni 2013 Tanzania achter ons lieten. Israel lonkte, Tanzania zat echter onder onze huid.

Onlangs sprak ik een vriendin uit onze Tanzania tijd. Over mijn depressiviteit, over hoe ik in elkaar zit, waar ik aan werk. Zij herinnerde me eraan dat mijn mooie herinneringen aan Tanzania de moeilijke momenten lijken te hebben weggevaagd. Want ook daar wankelde ik af en toe. Had ik moeite met mijn nog nieuwe rol in het leven, zonder het “ik werk bij Heineken” credo achter mijn naam. Na een eerste ongemakkelijk gevoel – nooit fijn, geconfronteerd worden met minder leuke herinneringen – moest ik haar gelijk geven. Typisch hoe het menselijk brein werkt, hoe uiteindelijk de mooie avonden aan zee en de spannende safari’s je herinneringen domineren terwijl de moeilijke momenten, de frustraties, verbleken en vervagen tot ze er nooit lijken te zijn geweest.

Dat gesprek met die oude vriendin, het was misschien even wat ongemakkelijk, zelfs pijnlijk. Maar zo heilzaam en nuttig. Natuurlijk nam ik haar feedback mee naar mijn volgende online gesprek met mijn psycholoog. Tijdens dat gesprek en de daaropvolgende, pelden we langzaam lagen af uit mijn verleden, de moeilijke momenten analyserend, de fijne momenten evaluerend. Wat mijn grootste worsteling is geweest sinds het verlaten van Nederland, is het verlies van identiteit. Die “ik werk bij Heineken” gedachte. Ik was niet alleen Ceciel, moeder van Thomas en Benjamin, vrouw van Arjen. Ik was ook professional, ik ontwikkelde me, ik deed werk dat er toe deed binnen de kaders die ik van kinds af aan kende. Geld, aanzien en respect verdienen door je werk bij een bekend Nederlands bedrijf. Een leven als thuismoeder was iets waar ik me in die periode helemaal, maar dan ook echt helemaal niets bij kon voorstellen. En hoewel ik het nooit zo zou hebben gezegd in die tijd, denk ik dat ik het diep  van binnen afkeurde als andere moeders met bul op zak hun carrière aan de wilgen hingen.

Dat dus. Dat was mijn worsteling. Toe te moeten geven dat ik nu ook één van die moeders was. Met bul, zonder carrière. En hoe dat onderstreept werd als ik op een receptie stond en de zoveelste gesprekspartner me vroeg: ‘So tell me, what does your husband do?’

Toen ik moest onderkennen dat het echt niet goed met me ging, was mijn vervolggedachte een voor mij erg logische: ik moet gewoon weer een baan, een carrière. En: we moeten terug naar Nederland. Zodat alles weer normaal wordt en ik weer mezelf kan zijn.

Mezelf zijn? Is Ceciel dan niet zichzelf als ze geen geld verdient? Werkelijk? Is dat het enige dat ik waardevol vind aan mezelf? Daar was werk aan de winkel, constateerde mijn psycholoog tevreden.

Deze week heb ik het deel van mijn therapie dat puur over het overwinnen van de depressiviteit gaat, afgesloten. Een training Mindfulness is de logische laatste stap op mijn pad naar, uh, helemaal mezelf zijn? Misschien, zoiets. Ik ben al een heel eind gekomen kan ik met trots en blijdschap zeggen. Ik heb veel ontdekt in de afgelopen maanden. Heel simpele dingen zoals wandelen brengt mijn geest tot rust (maar ik raak niet meer in een vrije val als het wandelen er even niet van komt). En schrijven, dát vind ik pas leuk (en kan ik best goed!). Moeder worden en moeder zijn is het mooiste dat me in mijn leven is overkomen (Arjen ontmoeten staat met stip op nummer twee, ik wil mijn geliefde niet tekort doen!). Wat ben ik dankbaar dat ik er voor de jongens kan zijn als ze uit school komen met verhalen en met huiswerk. Dat ik speelafspraken voor ze kan regelen na school, hun vriendjes ken en de moeders van die vriendjes. Dat ik tijd heb om betrokken te zijn bij school, fantastisch fijn. En mijn bestuurswerk blijkt minstens zo uitdagend, zowel inhoudelijk als procesmatig, als dat werk bij good old Heineken. Nee, ik word er niet voor betaald. Maar de impact die mijn werk heeft op het beleid en het functioneren van de school is zichtbaar na twee jaar bikkelen.

Dus misschien gaat die Mindfulness me niet naar mezelf terugbrengen. Misschien ben ik al bij mezelf terug. Hopelijk gaat het me helpen nog net iets beter om te leren gaan met spanningen en onzekerheid. Want die zullen er het komend jaar volop zijn. Dat we drie jaar geleden Tanzania verlieten, betekent namelijk ook dat we aan ons laatste jaar in Israel beginnen. Ons overplaatsingsjaar is aangebroken en we zullen zien waar onze container vol hebben en houden naartoe zal varen. De overplaatsingssystematiek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gekenmerkt door aardig wat dynamiek. Hoewel onze plaatsing hier uiterlijk over een jaar eindigt, is het mogelijk dat we voor die tijd al verhuizen. Onzekerheid is dus troef en hé, laat het nou net mijn uitdaging zijn daar beter mee te leren omgaan. Dus kom maar op met die Mindfulness training! Ik kan ‘m wel gebruiken!

 

Skypend werken en ander leed

Ik zit aan mijn bureau. Het is twee uur ’s middags en ik zit te wachten op mijn collega’s waarmee ik een belangrijke werkbespreking heb. Ik ben – heel Nederlands – op tijd, ben goed voorbereid, heb alle alle relevante stukken “open staan” op mijn laptop en mijn aantekeningen van de vorige bespreking liggen voor me. Vooralsnog ben ik echter alleen. Alleen op Skype wel te verstaan. Niemand reageert op mijn chat bericht waarin ik vraag of iedereen klaar is voor de bespreking. Om kwart over twee ontvang ik een chat bericht: “Just woke up, sorry! Need a coffee, will join you a.s.a.p”. Het bericht komt van collega S uit de Verenigde Staten. Ach ja, bij haar is het nu 6 uur ’s ochtends, dan kun je je wel eens verslapen. In Kenya is het echter twee uur ’s middags,, net als hier in Israël. Mijn collega’s daar kunnen zich niet verslapen hebben, toch? Collega L is offline, Ik stuur haar een korte e-mal: “Hi! Where are you? We had planned a meeting from 2 to 3…”. Vooralsnog geen antwoord en ook geen verandering in haar online-status. Dan komt er een berichtje van collega M, eveneens in Kenya: “Are we meeting today?” …. In reactie op mijn bevestiging vraagt ze om 10 minuten uitstel, de regionaal directeur heeft haar even nodig. Uiteindelijk start de meeting rond half 3 terwijl ik om 3 uur de kinderen van school moet halen. De meeting start bovendien zonder collega L die simpelweg niet reageert op e-mails en die ook haar telefoon niet opneemt wanneer collega M haar belt om te achterhalen waarom ze er niet is.

Bizar verhaal? Niet realistisch? Forget it. This is the story of my working life! Serieus. dit overkomt me minstens eens per week en in weken met veel meetings gebeurt het vaker. Ik werk vanuit huis, op afstand van mijn opdrachtgever en van de mensen waarmee ik samenwerk. We werken niet alleen vanuit verschillende plekken op de wereld, ook leven we in verschillende tijdzones en hebben we uiteenlopende culturele achtergronden. Daar komen nog wat taalverschillen bij en problemen met internetverbindingen die buiten Europa en de VS helaas niet zo betrouwbaar zijn. tja, uitdagingen genoeg zeg maar.

Ik ben enorm dankbaar dat ik werk heb, al is het dan niet bij een opdrachtgever in Israël. Dat blijkt namelijk niet eenvoudig. Niet alleen vormt de taal een obstakel, ook de arbeidswetgeving werkt niet echt mee. Tot nu toe heb ik slechts één reële optie om in Israël te werken gehad, waarbij ik minstens 40 uur per week zou moeten werken voor een lager salaris dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik zou minder verdienen voor die 40 uur (plus) dan ik nu verdien met een kleine 20 uur werken per week. Het betrof bovendien werk dat me inhoudelijk totaal niet aansprak en wat totaal niet aansluit op mijn kennis en ervaring. Ik heb dus niets te klagen. En toch doe ik dat af en toe hartgrondig. Werken op afstand met tijds- en cultuurverschillen is namelijk niet altijd eenvoudig. Met name het verschil in cultuur vormt soms een obstakel. Ik heb me niet eerder gerealiseerd hoeveel impact dat heeft op samenwerking.

Zo ben ik gewend aan werken met duidelijke targets, deadlines, plannen, afspraken en met het uitgangspunt afspraak = afspraak aan de basis van de werkrelatie. Natuurlijk, daar komt wel eens iets tussen en dat laat je elkaar dan – indien mogelijk tijdig – weten. Heel Nederlands weet ik inmiddels. Nu werk ik voornamelijk met mensen in verschillende Afrikaanse landen en met mensen in de Verenigde Staten. Ze werken voor een NGO, een non-governmental organization. Een NGO is een non-profit organisatie die zich inzet voor een maatschappelijk belang. Dat is mooi. Alleen blijkt dat in dit geval in de praktijk te betekenen dat prioriteiten van dag tot dag kunnen veranderen als gevolg van noodsituaties en humanitaire rampen, maar ook vanwege andere, heel wat kleinere, afwijkingen van het reguliere. De organisatie cultuur is er een van totaal vertrouwen in het goede van de mens. In theorie is dat mooi, dat meen ik. In de praktijk brengt het echter met zich mee dat men het bijzonder moeilijk vindt om elkaar op verantwoordelijkheden aan te spreken. Als iemand niet komt opdagen bij een bespreking, zonder zich af te melden, gaan collega’s er vanuit dat er iets ergs gebeurd is. Geeft iemand al weken geen opvolging aan actiepunten? Geen probleem, hij/zij heeft het super druk en het regenseizoen leidt tot veel overlast in Kenya. Het gevolg van deze losse manier van werken is dat het maken van een planning weinig zinvol is, behalve dan deze pijnlijk duidelijk maakt wat de gevolgen zijn van zes weken oponthoud. Ik moet bekennen dat ik dat af en toe verschrikkelijk vind. Diplomatiek uitgedrukt. Ik voel me namelijk verantwoordelijk voor de afronding van dit project. Ik heb me gecommitteerd en wil het goed doen, ik wil resultaten boeken.

Ruim een maand geleden vond ik dat ik lang genoeg uitvluchten en excuses had geaccepteerd en heb ik de noodklok geluid. Mijn agenda had ik maanden lang vrijgehouden voor mijn opdrachtgever die me gemiddeld 24 uur per week nodig zou hebben. Die 24 uur haalde ik soms wel, vaker werden het in de praktijk (veel) minder uren omdat afspraken steeds gecanceld werden of zonder cancellation niet plaatsvonden, actiepunten niet werden opgevolgd, door mij opgestelde adviezen of documenten niet werden gereviewed etcetera. Ondertussen hield ik andere verplichtingen op afstand, ik meldde me niet aan voor lezingen omdat ik dacht een afspraak te hebben, ik maakte geen afspraken met vriendinnen en durfde me niet te committeren aan vrijwilligerswerk bij het Eritrees vrouwencentrum in Tel Aviv. Ik luidde dus de noodklok. En dat heeft gewerkt. Na enige discussie over het belang van het daadwerkelijk realiseren van doelstellingen en hoe samen te werken met de genoemde geografische afstanden en cultuurverschillen, gaf mijn opdrachtgever een duidelijke boodschap af aan de medewerkers in zowel de VS als in Afrika: zo kan het niet langer. En dat had effect. De bal ging eindelijk rollen. En hard.

Gisteren had ik een meeting met het senior management van de NGO waarvoor ik werk in Kenya. Vier managers, de country director, regionaal HR Manager en lokale HR Manager zaten in Nairobi in een vergaderzaal, ik zat achter mijn laptop in Israël en de Global HR Manager zat achter de hare in de VS. We bespraken de rangorde van alle functies in de organisatie in Kenya. Na maanden van trekken en duwen waren uiteindelijk alle functies beschreven en gewaardeerd en had de country director zijn feedback gegeven op dat alles. Best spannend is dan zo’n milestone meeting waarin het management team zich moet uitspreken over de rangorde. Die rangorde is immers bepalend voor de salarisniveau’s die medewerkers kunnen bereiken in hun functie. Na al mijn slechte ervaringen in de afgelopen maanden, was ik opgelucht en blij toen ik gisteren om half tien ’s ochtends opmerkte dat iedereen op tijd was (zelfs mijn collega in de VS waar het midden in de nacht was), dat de internetverbindingen overal werkten, dat iedereen voorbereid was en – misschien het belangrijkste van alles – dat de managers zich durfden uit te spreken over de rangorde. Niet heel Afrikaans namelijk, om je duidelijk voor of tegen iets uit te spreken. Het werd een constructieve bespreking waarbij het management ook met name onderling het gesprek aanging over de manier waarop de verschillende projecten worden aangestuurd en uitgevoerd. Het was louterend. De rangorde werd op vier functies na volledig ondersteund en goedgekeurd, afspraken werden gemaakt over harmonisatie van functienamen en over het creëren van betere carrièrepaden. Precies het soort issues waar ik ook mee te maken had toen ik  nog een normale baan had in Nederland.

En zo lijkt het erop dat ik mijn project in Kenya tot een goed einde kan brengen dit najaar terwijl ik de volgende twee projecten kan opstarten in Afrika en in Zuid Amerika. En daar ben ik best trots op.

De vrouw van …

Vrijdagmiddag in Hanassi park. De internationale school is gesloten in verband met de “parent-teacher conferences” (tien minuten gesprekjes in Nederlandse termen). Ik ben hier met de groep vriendinnen die zich steeds duidelijker uitkristalliseert. Onze kinderen klimmen op glijbanen – bij voorkeur beklimmen ze de glijbaan zelf en negeren ze de ladder die daarvoor bedoeld is – , ze voetballen of kijken hunkerend naar de voetballers, Thomas smeedt plannetjes met zijn vriendjes om “de meisjes” te vangen en Benjamin zit dicht tegen me aan. Op het gras ligt een groot picknickkleed met bakjes rauwkost en fruit en een zak rijstwafeltjes, op en rond het kleed zitten en staan mijn nieuwe vriendinnen. Zo lang kennen we elkaar nog niet. Maar we hebben veel met elkaar gemeen. We hebben kinderen in dezelfde leeftijd, onze mannen zijn diplomaat (alleen vriendin P is getrouwd met een expat uit het bedrijfsleven) en voor ieder van ons geldt dat we een universitaire opleiding hebben afgerond en onze carrière tijdelijk aan de wilgen hebben gehangen om de wereld rond te reizen, onze man volgend in zijn carrière.

Wij, mijn vriendinnen en ik, vormen een nieuwe generatie in diplomaten land. We hebben gestudeerd met het idee om een eigen carrière op te bouwen. De meesten van ons hebben dat ook geruime tijd gedaan. Totdat we verliefd werden en trouwden met een man met een internationale carrière. Natuurlijk, je weet waar je aan begint. Soort van. Maar toch ook niet helemaal. Ik kijk naar  vriendin S, ooit advocaat. Vriendin J, bioloog. Vriendin R, werkte tot voor kort voor de VN. En nu zitten we op vrijdagmiddag in het park, onze kinderen voedend met verantwoorde snacks, pratend over de school, de diplomatic spouses club, de oppas-meisjes die we met elkaar delen en het gala van school dat de volgende avond zou plaatsvinden. Behalve ikzelf, werkt niemand van dit groepje. Niet omdat niemand dat wil, maar omdat het voor de meesten onmogelijk is. Onmogelijk omdat er geen MOU is afgesloten tussen hun land en Israël (waardoor partners van uitgezonden diplomaten uit dat land hier niet mogen werken). Omdat parttime banen vrijwel onvindbaar zijn in Tel Aviv en omgeving – een nanny is hier niet te betalen en andere opvang is er niet. Omdat je in Tel Aviv überhaupt moeilijk kunt werken zonder het Hebreeuws machtig te zijn. Omdat, omdat, omdat, vele redenen, niemand is er echt blij mee.

En ik realiseer me dat we ons in een bevoorrechte positie bevinden. Financieel gezien is het expat bestaan beslist prettig. Ikzelf werk nu nog maar gemiddeld 3 uur per dag, dat worden er circa 5 per dag naarmate mijn projecten uit de startblokken komen. Ik houd tijd over voor boodschappen doen en winkelen en ik ben iedere middag op tijd klaar om de kinderen van de bus te halen, ze te helpen met huiswerk, te praten over hun dag op school en dan heb ik ook nog tijd om rustig te koken. Maar geloof me, de dagen duren lang als je kinderen de hele dag op school zijn en je niets om handen hebt. Veel van onze mannen lijkt het een droom, de hele dag tijd hebben om Tel Aviv beter te leren kennen, Jeruzalem te doorgronden, deel te nemen aan de hikes die regelmatig worden georganiseerd door de vrouw van een van de Nederlandse diplomaten alhier, te zeilen en te surfen, om cappuccino’s te drinken bij een van de vele beachclubs en eindelijk eens tijd te hebben voor die stapel ongelezen boeken. Wij ervaren dat anders. Velen van ons kampen met ups en downs, voelen zich onzeker over hun positie op de arbeidsmarkt straks, als het expat bestaan erop zit. Verveling leidt tot gepieker, heimwee, soms zelfs tot lethargie.

Nu heb ik het grote voordeel dat ik wel werk heb. Ik weet mijn cv in beweging te houden evenals mijn hersenen. En ik moet zeggen dat ik me steeds meer realiseer dat we na 9 maanden Tel Aviv, een geweldig leuke groep vrienden om ons heen hebben verzameld. Maar ik voel intens mee met mijn vriendinnen die dolgraag zouden willen werken, maar dat niet kunnen vanwege juridische beperkingen of taalbarrières. Ik hoop mee met mijn advocaat-vriendin die heel misschien al deze zomer terugkeert naar Ierland met haar gezin, omdat haar man mogelijk een promotie wordt aangeboden. Ik denk mee met de vriendin die echt in de stress zit over haar kansen op een baan straks, na 15 jaar expat bestaan. Hopelijk kan ze een cursus in het Engels vinden die aansluit op haar loopbaanwensen. Blij ben ik voor de vriendin die komend jaar voorzitter wordt van de Diplomatic Spouses Club – ze krijgt het er druk mee -, een club waarmee we allemaal een soort haat-liefde verhouding hebben. Allen hopen we dat de club verjongt en minder stijf wordt, nu onze vriendin er voorzitter van wordt.

Dat wij op sociaal vlak veel voor elkaar hebben gekregen in 9 maanden tijd, realiseerde ik me toen we zaterdagavond op het “Starry Night Gala” het glas hieven met de groep vrienden waar we mee optrekken. Ik keek op me heen, zag mijn vriendinnen in hun mooiste cocktailjurkjes, hun lachende gezichten, sprankelende ogen. Fijn dat we vertrouwelijke gesprekken met elkaar voeren inmiddels, ook over de voor- en nadelen van het zijn van “vrouw van…”, van het zijn van expat. Fijn dat onze mannen elkaar gevonden hebben. Vaak ook zakelijk. Dat onze kinderen elkaar leuk vinden. Dat we tijd hebben om met elkaar cappuccino’s te drinken bij het bakkertje op het plein, dat we tijd hebben om met elkaar naar het park te gaan na school.

Hoe bijzonder dit alles is, drong eens te meer tot me door toen ik de dag na het gala, op een verjaardagsfeestje, in gesprek raakte met de Kenyaanse moeder van een klasgenootje van Benjamin. Ook zij is hier in juni naartoe verhuisd en we delen het missen van Afrika. Dat leek een band te scheppen. Echter, waar ik onbevangen in het sociaal leven ben gesprongen, bleef zij hangen in haar heimwee naar Afrika. Naar huis. Om de paar weken stapte ze in het vliegtuig, terug naar Nairobi,  met achterlating van haar 4-jarige zoontje. Om haar moeder bij te staan, om reparaties aan hun te verhuren huizen te coördineren, om haar vriendinnen te zien. Nu stond ze tegenover me met tranen in haar ogen. It’s just not working for me here, vertelde ze. Ze voelt zich ontheemd, ze is ziek van heimwee, voelt zich gediscrimineerd, ellendig, alleen. Op uitnodigingen voor playdates gaat ze nooit in of ze zegt ze op het laatste moment af en ook zien we haar nooit bij events op school waarbij ouders welkom zijn. In April vertrekt ze uit Tel Aviv. Haar zoontje gaat mee, terug naar Nairobi. Haar man blijft hier. Ik hoop dat het ze lukt hun liefde voor elkaar terug te vinden als zij geen last meer heeft van heimwee naar Afrika. Nee. het expat leven als “vrouw-van”, is niet eenvoudig te noemen. En ik vermoed dat de buitenwereld zich dat niet altijd realiseert.

Een week Tel Aviv, een week in (culture) “shock”

Ik geef het toe, het schiereiland waar wij woonden in Dar es Salaam, had weinig te maken met het echte Tanzania. We leefden er in een luxe bubble, ik noemde het “Expat Heaven” en gezien het welvaartsniveau van het land waarin onze bubble zich bevond, was dat een aardig adequate benaming. Er waren redelijk bevoorrade supermarktjes, een paar prima restaurantjes, de Dar es Salaam Yacht Club bevond zich hier en het was er betrekkelijk veilig, al was dat laatste tanende. Een heerlijke plek om te wonen, weliswaar met de bekende nadelen van een ontwikkelingsland zoals niet drinkbaar – soms zelfs modderig – water uit de kraan, malariamuggen, een krakkemikkige keuken en dito badkamers, mierenplagen in huis, een generator die geregeld met veel lawaai aanspringt bij stroomonderbrekingen, een tv die het een paar keer per maand enkele dagen niet doet na een stroompiek en leven achter hoge muren bedekt met elektrisch draad en 24/7 bewaking voor de deur. Dat we lang niet alles wat we graag eten in de supermarkt konden vinden, hadden we al na een paar maanden naast ons neergelegd en nee, kleding, schoenen, speelgoed en dergelijke was er niet te krijgen (of tegen prijzen die het viervoudige zijn van de Nederlandse), maar daar leer je verbazingwekkend snel mee leven. Dat komt denk ik doordat het leven in Dar es Salaam verder enorm relaxed is. Alles gaat op z’n pole, pole (langzaam, langzaam) en dat is heerlijk, al frustreert het absoluut op momenten waarop je iets NU geregeld wilt zien. Tanzania is bovendien een prachtig land met geweldige stranden, een heerlijk warme zee waar je fantastisch kunt zeilen, indrukwekkende wildparken en een interessante cultuur.

Dat was onze leefomgeving tot voor kort.

Meestal heb je als je als diplomaat van post naar post verhuist, enkele weken vakantie tussen vertrek uit het “oude land” en aankomst in het “nieuwe land”. Je kunt dan als het ware afkicken van je vorige post en opladen voor de start in een heel nieuwe omgeving. Ons was die afkickperiode deze keer niet “gegund” (het kon simpelweg niet vanwege de drukte op de Ambassade in Tel Aviv). En zo belandden we na een drukke week in Nederland, zomaar in een totaal andere wereld.  Zo totaal anders dan pole, pole Tanzania! Ik kan me bijna geen groter verschil voorstellen. Afgezien van de temperaturen die momenteel ongeveer gelijk zijn in beide landen, zie ik tot op heden weinig overeenkomsten. Verhuizen is al heftig an sich. Verhuizen van de ene kant van de wereld naar de andere is nog een tikkeltje heftiger. Ons leven staat volledig op z’n kop en we vallen van de ene verbazing in de andere. Let wel: wij bekijken Tel Aviv met Tanzaniaanse ogen. Voor iemand die vanuit Amsterdam hier naartoe vliegt, zal de culture shock minder groot zijn vermoed ik. Voor ons is de verandering echter enorm en de term culture shock beschrijft aardig hoe wij eraan toe zijn momenteel…

Dat we naar een heel andere wereld verhuisden, bleek in feite al op Schiphol. De El Al balie ligt helemaal achteraan in vertrekhal 3. Voor een afscheiding staan zwaar bewapende mannen en vrouwen van de Koninklijke Marechaussee. Voor mij een confrontatie: hier moet ik aan wennen. De jongens vonden het bijzonder interessant en Thomas sloot al snel vriendschap met een van deze marechaussees die zich bereid verklaarde een paar keer op hem te letten terwijl Arjen heen en weer liep tussen vertrekhal 3 en de taxi standplaats waar Benjamin en ik onze massa bagage bewaakten. Ook na het passeren van de bewaking, voelden we duidelijk dat we Tanzania / Nederland gingen inruilen voor een land dat voortdurend op z’n qui vive is. Voordat je kunt inchecken, word je ondervraagd door veiligheidsmensen van El Al. Waar kom je vandaan, waar ga je naartoe en waarom? Wat heb je bij je? Deze veiligheidsprocedure verliep in ons geval bijzonder prettig en snel. Ik heb echter begrepen dat dit niet altijd het geval is. Ach, het viel ons reuze mee om eerlijk te zijn en we waren ons ervan bewust dat deze controles er zijn in ons eigen belang.

Na een vlucht van slechts 4 uur (we waren iets anders gewend…) en na de blijde ontdekking van humus door de jongens, arriveerden we in Tel Aviv. Een hypermoderne luchthaven, een super snelle bagage afhandeling en voor we het goed en wel in de gaten hadden, zoefden we over de snelweg door Tel Aviv, naar Herzelya. Hoogbouw, shopping malls, geen gaten in het wegdek, een strak blauwe hemel, geen badjadjies of daladala’s, geen hoog opgeladen fietsen met broden, bananen of eieren. Geen mama’s die eten koken langs de kant van de weg. Geen marskramers die hun waren aan inzittenden van auto’s aan de man (of vrouw) proberen te brengen. Geen bedelaars langs de weg (nog niet gezien althans). Wel voortdurend rondcirkelende helikopters met zware artillerie aan boord. Dat laatste is overigens minder geworden na een paar dagen. Er werd meer dan anders gesurveilleerd vanuit de lucht vanwege de aanstaande verjaardag van Peres.

Na enige tijd – volgens Benjamin duurde het een eeuwigheid – arriveerden we bij onze tijdelijke huisvesting, een appartementje in Herzelya Marina. Voor eenieder die wel eens door de haven van, zeg Saint Tropez, heeft geslenterd: Herzelya Marina  lijkt er wel wat op. Een exclusieve omgeving, volop prachtige appartementen rondom een haven met de meest schitterende jachten en zeilboten, een shoppingmall met exclusieve kledingzaken, fijne terrasjes en restaurants en een mooi strand.  Benjamin en ik kwamen als eerste aan bij het appartement (we hadden ons verspreid over 2 auto’s) en hebben enige tijd voor het enorme raam in de woonkamer naar buiten staan staren. Een azuurblauwe zee, vrijwel aan onze voeten, wapperende witte zeilen, jetskies, veel zongebruinde mensen die af en aan lopen over de boulevard, veelal schaars gekleed. Benjamin zag het, ik zag het: het is hier totaal anders dan in Dar es Salaam. Nadat we de koffers naar binnen hadden weten te sjouwen en afscheid hadden genomen van de collegae van de ambassade die ons hadden opgehaald van het vliegveld, bracht Arjen een bliksembezoek aan de supermarkt. Enthousiast keerde hij terug: alles is er! ALLES! Je moet in Dar es Salaam (of een vergelijkbare plaats op aarde) gewoond hebben om onze blijdschap te begrijpen. Verse groenten en fruit (nectarines! druiven! appels! meloentjes!), gerookte zalm, kipfilet, broodbeleg, vele, vele soorten kaas en nog meer keuze als het om zuivel gaat… Inmiddels hebben we ontdekt dat zelfs hagelslag, appelstroop, poedersuiker en schenkstroop verkrijgbaar zijn in de supermarkt hier om de hoek. Wat een rijkdom, wat een luxe!

Ik ben me nu al een week aan het verwonderen. Ik weet dat we ook nu in een luxe bubble terecht zijn gekomen. Herzelya Pituach lijkt een zwaar beveiligd Saint Tropez. Ook hier wonen alleen exorbitant rijke mensen en expats, villa’s van enkele miljoenen dollars domineren het straatbeeld. Huurprijzen zijn torenhoog, ook voor relatief eenvoudige huizen zonder extra’s als zwembaden en dergelijke. Het is bizar. Het is hektisch. Tijdens een etentje bij een collega van de ambassade werd Tel Aviv hysterisch genoemd. En zo voelt het ook. Toen wij vandaag op zoek gingen naar een rustig strandje, werden we volledig overweldigd door de drukte. Rijen en rijen auto’s, bij iedere strandopgang staat er vol mee. Overal lopen (jonge) mensen in bikini of zwembroek, handdoek nonchalant over een schouder, hippe zonnebrillen, slippertjes en designer tassen, veel lawaai, veel muziek, veel leven. En in totaal contrast hiermee zie je veel orthodoxe Joden met hun zwarte hoeden, lange jassen, lange rokken, hoge kousen. Ook zij gaan zeilen overigens, ik heb al verschillende boten gezien die bemand worden door orthodoxe Joden.

Herzelya straalt levensvreugde uit. Het bruist. Het leeft. Het leven wordt hier volop geleefd. Carpe Diem is de sfeer.

En wij moeten wennen. De jongens zijn opmerkzaam, benoemen de enorme verschillen die zij ervaren met Dar es Salaam. Stellen vragen. Zijn verdrietig en soms boos en dan weer blij. Verwonderen zich net als wij, samen met ons. We missen Dar es Salaam, de opgebouwde vriendschappen, de scholen (al is het ook in Dar vakantie…), de Yacht Club en Nelli, Veronica, Godi, Chalamanda en zelfs onze askaries (bewakers). We missen hen als mens, maar, ik schaam me bijna het te moeten bekennen, we missen ook hun geweldige helpende handen. Een volgende weblog hierover volgt snel. Onze culture shock wordt namelijk beslist ook beïnvloed door het ontbreken van huispersoneel. Het goede nieuws is wel dat we in de dochter van een collega al een oppas hebben gevonden. Komende week kan ik Arjen daarom al vergezellen naar een diner met Israelische investeerders met belangen in Nederland.

Wordt vervolgd, wordt vervolgd!

Afbeelding, ,