Over oude deuren en nieuwe deuren

Drie jaar geleden, op de dag af, sloten we een avontuur af. En begonnen we aan een nieuw hoofdstuk. Het Israel hoofdstuk wel te verstaan. Wanneer een deur sluit, opent een andere. Ik denk dat vrijwel iedereen zich vasthoudt aan die gedachte als er grote veranderingen op komst zijn. Maar op het moment dat die ene deur dichtgaat, weet je nog niet wat er achter de nog gesloten deuren op je wacht. Wij waren dan ook allevier verdrietig toen we op 7 juni 2013 Tanzania achter ons lieten. Israel lonkte, Tanzania zat echter onder onze huid.

Onlangs sprak ik een vriendin uit onze Tanzania tijd. Over mijn depressiviteit, over hoe ik in elkaar zit, waar ik aan werk. Zij herinnerde me eraan dat mijn mooie herinneringen aan Tanzania de moeilijke momenten lijken te hebben weggevaagd. Want ook daar wankelde ik af en toe. Had ik moeite met mijn nog nieuwe rol in het leven, zonder het “ik werk bij Heineken” credo achter mijn naam. Na een eerste ongemakkelijk gevoel – nooit fijn, geconfronteerd worden met minder leuke herinneringen – moest ik haar gelijk geven. Typisch hoe het menselijk brein werkt, hoe uiteindelijk de mooie avonden aan zee en de spannende safari’s je herinneringen domineren terwijl de moeilijke momenten, de frustraties, verbleken en vervagen tot ze er nooit lijken te zijn geweest.

Dat gesprek met die oude vriendin, het was misschien even wat ongemakkelijk, zelfs pijnlijk. Maar zo heilzaam en nuttig. Natuurlijk nam ik haar feedback mee naar mijn volgende online gesprek met mijn psycholoog. Tijdens dat gesprek en de daaropvolgende, pelden we langzaam lagen af uit mijn verleden, de moeilijke momenten analyserend, de fijne momenten evaluerend. Wat mijn grootste worsteling is geweest sinds het verlaten van Nederland, is het verlies van identiteit. Die “ik werk bij Heineken” gedachte. Ik was niet alleen Ceciel, moeder van Thomas en Benjamin, vrouw van Arjen. Ik was ook professional, ik ontwikkelde me, ik deed werk dat er toe deed binnen de kaders die ik van kinds af aan kende. Geld, aanzien en respect verdienen door je werk bij een bekend Nederlands bedrijf. Een leven als thuismoeder was iets waar ik me in die periode helemaal, maar dan ook echt helemaal niets bij kon voorstellen. En hoewel ik het nooit zo zou hebben gezegd in die tijd, denk ik dat ik het diep  van binnen afkeurde als andere moeders met bul op zak hun carrière aan de wilgen hingen.

Dat dus. Dat was mijn worsteling. Toe te moeten geven dat ik nu ook één van die moeders was. Met bul, zonder carrière. En hoe dat onderstreept werd als ik op een receptie stond en de zoveelste gesprekspartner me vroeg: ‘So tell me, what does your husband do?’

Toen ik moest onderkennen dat het echt niet goed met me ging, was mijn vervolggedachte een voor mij erg logische: ik moet gewoon weer een baan, een carrière. En: we moeten terug naar Nederland. Zodat alles weer normaal wordt en ik weer mezelf kan zijn.

Mezelf zijn? Is Ceciel dan niet zichzelf als ze geen geld verdient? Werkelijk? Is dat het enige dat ik waardevol vind aan mezelf? Daar was werk aan de winkel, constateerde mijn psycholoog tevreden.

Deze week heb ik het deel van mijn therapie dat puur over het overwinnen van de depressiviteit gaat, afgesloten. Een training Mindfulness is de logische laatste stap op mijn pad naar, uh, helemaal mezelf zijn? Misschien, zoiets. Ik ben al een heel eind gekomen kan ik met trots en blijdschap zeggen. Ik heb veel ontdekt in de afgelopen maanden. Heel simpele dingen zoals wandelen brengt mijn geest tot rust (maar ik raak niet meer in een vrije val als het wandelen er even niet van komt). En schrijven, dát vind ik pas leuk (en kan ik best goed!). Moeder worden en moeder zijn is het mooiste dat me in mijn leven is overkomen (Arjen ontmoeten staat met stip op nummer twee, ik wil mijn geliefde niet tekort doen!). Wat ben ik dankbaar dat ik er voor de jongens kan zijn als ze uit school komen met verhalen en met huiswerk. Dat ik speelafspraken voor ze kan regelen na school, hun vriendjes ken en de moeders van die vriendjes. Dat ik tijd heb om betrokken te zijn bij school, fantastisch fijn. En mijn bestuurswerk blijkt minstens zo uitdagend, zowel inhoudelijk als procesmatig, als dat werk bij good old Heineken. Nee, ik word er niet voor betaald. Maar de impact die mijn werk heeft op het beleid en het functioneren van de school is zichtbaar na twee jaar bikkelen.

Dus misschien gaat die Mindfulness me niet naar mezelf terugbrengen. Misschien ben ik al bij mezelf terug. Hopelijk gaat het me helpen nog net iets beter om te leren gaan met spanningen en onzekerheid. Want die zullen er het komend jaar volop zijn. Dat we drie jaar geleden Tanzania verlieten, betekent namelijk ook dat we aan ons laatste jaar in Israel beginnen. Ons overplaatsingsjaar is aangebroken en we zullen zien waar onze container vol hebben en houden naartoe zal varen. De overplaatsingssystematiek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gekenmerkt door aardig wat dynamiek. Hoewel onze plaatsing hier uiterlijk over een jaar eindigt, is het mogelijk dat we voor die tijd al verhuizen. Onzekerheid is dus troef en hé, laat het nou net mijn uitdaging zijn daar beter mee te leren omgaan. Dus kom maar op met die Mindfulness training! Ik kan ‘m wel gebruiken!

 

Advertenties

Na de Dar-Dip nu ook de Tel Aviv – Dip…

In Dar es Salaam spraken we van de Dar-Dip, in Tel Aviv hebben we de Tel Aviv dip en ik, ik zit er even diep in. Oef, dat vergde moed, om dat op te schrijven in een weblog die iedereen kan lezen. Het is echter de waarheid en sinds ik er open over heb gepraat met een paar vriendinnen, heb ik ontdekt dat ik niet de enige ben die de dagen aftelt tot de Kerstvakantie. Vrienden die van plan waren hier te blijven met Kerstmis, boeken last minute tickets naar Wenen, Boedapest of Athene of ze stappen een paar dagen voor Kerstmis in de auto en rijden naar Jordanië. Wij hebben het geluk dat ons thuisland, Nederland, slechts 4 uur vliegen hier vandaan is. Dat geluk hebben onze Amerikaanse, Canadese en Australische vrienden niet, voor hen is een korte vakantie “thuis” geen optie. Het gevoel er even uit te moeten, afstand te willen nemen, leeft desalniettemin bij velen.

Waar komt dat gevoel vandaan? Goed, laat me ervoor waken een klaagzang van deze weblog te maken. Maar eerlijk is eerlijk, Israël is enerzijds een geweldig en bijzonder land om te mogen wonen, anderzijds is het ook pittig. Toen ik in Istanboel was met het schoolbestuur en de directie van onze school, beweerde een Amerikaanse diplomaat tijdens een overigens gezellig diner, dat het niet de vraag is óf er een derde intifada komt, maar wanneer. Een Israëlisch mede-bestuurslid deed er een schepje bovenop, volgens hem was de toenemende onrust in Jeruzalem het begin van die derde intifada. Ik werd er helemaal naar van, de afstandelijkheid waarmee gesproken werd over een mogelijke toename van willekeurig geweld waardoor onze veiligheid zou afnemen en onze bewegingsvrijheid aanmerkelijk zou worden ingeperkt. Even los van de vraag of er een derde intifada komt, het is gewoon onrustig in Israël. Iedereen roept wel dat het leven in Tel Aviv zo heerlijk is, zo ver van alle onrust verwijderd – dat is overigens waar – maar ik merk ondertussen ook dat het wel iets met me doet. Die voortdurende stroom van nieuws, de sms-jes over terroristische aanslagen die ternauwernood zijn voorkomen, die achteraf gezien niet hebben plaatsgevonden of die wel degelijk slachtoffers hebben veroorzaakt, ze raken me en maken me onrustig. Ze vinden over het algemeen niet plaats in Tel Aviv, die aanslagen, maar we hebben vrienden in Jeruzalem, gaan er naar de kerk en uiteindelijk leven we wel in Israël.

Het is overigens niet alleen de instabiele politieke situatie in Israël waar ik persoonlijk graag even afstand van zou willen hebben. Ik zou er ook verstandig aan doen de Nederlandse berichtgeving over Israël wat minder aandachtig te volgen. Ik ben kritisch over politieke beslissingen die in Israël genomen worden, begrijp vele acties niet en kan af en toe versteld staan van uitspraken van politici. Maar de vaak ongezouten meningen die sommige Nederlanders menen te moeten uiten in de media, zijn minstens zo erg. Bizarre verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog en voor mij totaal onbegrijpelijke antisemitische uitspraken doen me veel meer sinds ik hier woon.

Tja, en dan is daar de eeuwige worsteling – voor mij althans – tussen dankbaar zijn voor het bijzondere leven dat we leiden en mijn frustratie over het niet kunnen continueren van mijn carrière. Ik dacht daar alleen in te staan, heb hier weinig vriendinnen die werken of die een baan of consultancy opdracht ambiëren. Tot ik recent twee nieuwe vriendinnen aan mijn kring mocht toevoegen die beiden wel ambities hebben én een bijbehorende baan. Zij zijn in hun gezin de uitgezonden partner. Vriendin D is jurist bij een farmaceutisch bedrijf en vriendin S is plaatsvervangend ambassadeur. Gesprekken met hen inspireren me en hebben me bewust gemaakt van een andere belangrijke oorzaak van mijn huidige Tel Aviv Dip. Ik wil werken. Op mijn eigen vakgebied. Ik durf het nu eindelijk weer hardop te zeggen. Ik-wil-meer. Mijn bestuurswerk voor school is niet bevredigend genoeg, ik wil een werkkring, collega’s om mee te sparren, ik wil me vakinhoudelijk ontwikkelen, mijn kennis op pijl houden.

Klinkt het raar, dat ik dat nu pas hardop durf te zeggen? Probeer je eens voor te stellen dat je vriendenkring louter bestaat uit vrouwen die niet werken. Zij bevinden zich allen in een wankel evenwicht tussen vrede hebben met hun bestaan en frustratie om wat ze achter hebben moeten laten in hun thuisland, omwille van de carrière van hun echtgenoot. Uitspreken dat dat voor jou niet meer voldoende is, zoals ik nu doe, kan dan heel vervelend overkomen. Of als bedreigend worden ervaren. Voordat wij naar Tanzania verhuisden, was ik me daar nog helemaal niet van bewust. Toen ik voor ons vertrek aan een diplomatiek partner vroeg wat haar ervaringen waren ten aanzien van het vinden van werk in Dar es Salaam, leverde me dat achter mijn rug om een berg nare roddels op. Wie dacht ik wel dat ik was? Ik vond mezelf zeker te goed om me toe te leggen op de zorg voor mijn gezin… De dame in kwestie was gelukkig vertrokken tegen de tijd dat wij aankwamen in Dar en ik geloof niet dat haar kwaadsprekerij mijn start daar heeft bemoeilijkt. Maar het is illustratief voor dat wankele evenwicht waarin ik me bevind als diplomatiek partner. Een wankel evenwicht waarover ik heb besloten me er niet langer bij neer te leggen. 2015 wordt voor mij het jaar waarin ik op zoek ga naar adviesopdrachten in Israël. Ik wil weer aan de slag met mijn kennis van human resource management en compensation en benefits. Dus… mocht je iemand in je netwerk hebben waar ik zeker kennis mee moet maken om dit te verwezenlijken? Laat het me weten!

Enne… Nederland, we komen er bijna aan!

Avontuur in Istanbul en de uitdagingen van internationaal onderwijs

De mensen van de veiligheidscontrole op Ben Gurion, het vliegveld bij Tel Aviv, weten zich geen raad met ons. Drie leden van het management van de American International School in Israël, de vrouw van de directeur van de school en een dame getrouwd met een Nederlandse diplomaat – ik dus. Drie Amerikanen, een Israëlische en een Nederlandse dame. We willen inchecken voor onze vlucht naar Istanboel. Een vreemd reisgezelschap, onderweg naar een gevoelige bestemming gezien de huidige minder vriendschappelijke betrekkingen tussen Israël en Turkije. “Waarom gaat u naar Istanboel? Heeft u daar gemeenschappelijke vrienden? Een conferentie over internationaal onderwijs? Kunt u dat bewijzen? Heeft u een uitnodiging bij u?” I-pads worden aangezet, in e-mails wordt naarstig gezocht naar berichten van NESA, de Near East South Asia Council of Overseas Schools. Iemand vist een brochure uit zijn tas maar die is niet overtuigend. De veiligheidsfunctionaris haalt zijn supervisor erbij die ons uit de rij haalt en apart plaatst. Na een herhaling van dezelfde vragen wordt er een nog hoger geplaatste officer bijgehaald die besluit ons allen afzonderlijk te ondervragen. Ik ben als laatste aan de beurt en uiteindelijk mogen we inchecken. Voor mij is dit alles nieuw, diplomaten en gezin worden nooit zo uitgebreid gescreend. Eerlijk gezegd geeft het me wel een veilig gevoel, in Israël wordt de veiligheid aan boord heel serieus genomen. Niet zonder reden natuurlijk.

En zo begint mijn avontuur. Voor het eerst in lange tijd ga ik zonder mijn mannen op reis. Ik ben niet eerder in Istanboel geweest en reis met een groep mensen die ik nog niet zo goed ken. Tamelijk recent ben ik toegetreden tot het bestuur van onze school en deze trip naar Istanboel is bedoeld om in korte tijd veel te leren over het internationaal onderwijs in een tamelijk complexe omgeving en over de rol van bestuurslid van een particuliere school. Ik vertrek twee dagen eerder dan de andere bestuursleden die aan de conferentie zullen deelnemen. De directeur van onze school me heeft gevraagd zijn vrouw gedurende die dagen gezelschap te houden. Zij voelt er weinig voor de stad alleen te verkennen. Natuurlijk heb ik ja gezegd op dat verzoek. Twee dagen een naar het schijnt prachtige stad verkennen, ik zie het wel zitten.

Twee dagen lang doorkruis ik met R een overweldigend mooie stad. We maken een boottocht over de Bosporus, bezoeken de Blauwe Moskee en de Aya Sofia, we winkelen in de Grote Bazaar en in de kleinere Arasta Bazaar, lunchen in de najaarszon en leren elkaar beter kennen. Een bijzondere ervaring. Vaak word ik omhelsd door Turkse handelaren in de twee bazaars: “We love Holland!” Zelfs als ik niets koop krijg ik kopjes sterke Turkse koffie aangeboden en als ik een aankoop overweeg wordt me direct 25% korting aangeboden. Wat overigens volgens R (die Israëlisch is en dus gezegend met ijzersterkte onderhandelingsvaardigheden) geen enkele reden is tot het accepteren van de geboden prijs. Het levert grappige momenten op waarbij ik voor het eerst blij ben met die Israëlische zeer commerciële mentaliteit :). In Israël raak ik er steeds door in de problemen: te vaak verlaat ik winkels met aankopen die ik echt niet nodig had en die ik ook niet van plan was te doen!

En dan eindigt mijn sightseeing-tijd. De andere bestuursleden en nog enkele schoolhoofden van onze school arriveren en het leer-avontuur gaat van start. De NESA leiderschapsconferentie boeit vanaf de eerste minuut. Ik bezoek lezingen over onderwerpen als creativiteit in relatie tot schoolprestaties, normering in schoolrapporten, samenstelling van een goed bestuur, governance, budgettering, institutional development en fundraising en op de laatste dag van de conferentie neem ik deel aan een uitgebreide workshop over de zogenaamde U Theory, een inspirerende theorie over het tot stand brengen van verandering.

Tussen lezingen en workshops door wordt er druk genetwerkt. Ik spreek vooral met bestuursleden van andere internationale scholen in de regio. Ze komen uit Qatar, Egypte, India, de Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi Arabië… Een enkeling weigert te spreken met afgevaardigden uit Israël. Ik heb niet eens zin om uit te leggen dat ik noch Joods, noch Israëlisch ben. Over het algemeen is de sfeer echter open en constructief. We staan allen voor dezelfde uitdaging. Onderwijs bieden aan een multiculturele en multireligieuze groep studenten. Dealen met leerlingen (en hun ouders!) met verschillende taalachtergronden die na enkele jaren onderwijs weer verhuizen naar een ander land. En velen  van ons zijn woonachtig in landen met “enige complexiteit”. Vooral de ontmoeting met de bestuursleden uit Caïro was informatief. Ook wij houden altijd rekening met een oorlog die tot (tijdelijk) evacuatie van leerlingen en uitgezonden leerkrachten leidt. Onze school kan, indien die situatie zich zou voordien, overschakelen op afstandsonderwijs waarbij Skype en Moodle (ons digitale onderwijssysteem) centraal staan.

Tijdens het ontbijt voor vertrek naar de luchthaven in het Aziatische deel van Istanboel, spreek ik een US Marshall die op de conferentie lezingen heeft gegeven over het voorkomen en herkennen  van kindermisbruik en hoe daar vervolgens mee om te gaan. Zijn werkgebied is wereldwijd, hij woont echter met zijn gezin in de VS. Voor hemzelf was de week ook leerzaam, het was zijn eerste kennismaking met leiders van overzeese scholen. Hij deelt zijn observaties over wat in zijn ogen zo anders is aan dit soort scholen in vergelijking tot “gewone” scholen in de VS. Weinig gebroken gezinnen (expats die scheiden keren immers veelal zo snel mogelijk terug naar hun thuisland), vrijwel uitsluitend hoogopgeleide ouders (daar het vooral hoger opgeleiden zijn die worden uitgezonden door overheden en bedrijven) en een populatie die zeer gemakkelijk contacten legt waarbij nog meer dan gemiddeld gebruik wordt gemaakt van diverse media. Vooral kinderen die nieuw zijn op een internationale school kunnen “gemakkelijke” slachtoffers zijn voor kindermisbruikers. Zij hebben nog geen vrienden, zoeken vastigheid. Ook hun ouders kunnen gemakkelijk worden ingepalmd. Als bestuurslid van onze school en als voorzitter van de beleidscommissie, ben ik momenteel druk bezig met het herzien van onze Child Protection Policy. En dat gaat precies hierover. Niet leuk om over na te denken, wel erg belangrijk. Ik doe momenteel even geen betaald advieswerk, maar dit werk voor school voelt voor mij als minstens zo belangrijk en leerzaam.

En zo reis ik terug naar Arjen en de jongens die ik erg gemist heb. Een heleboel kennis en een waardevolle ervaring rijker. Volgende week zit ik de volgende beleidscommissie vergadering voor en zet ik in op een aantal belangrijke veranderingen. Spannend. Leuk!

 

 

Skypend werken en ander leed

Ik zit aan mijn bureau. Het is twee uur ’s middags en ik zit te wachten op mijn collega’s waarmee ik een belangrijke werkbespreking heb. Ik ben – heel Nederlands – op tijd, ben goed voorbereid, heb alle alle relevante stukken “open staan” op mijn laptop en mijn aantekeningen van de vorige bespreking liggen voor me. Vooralsnog ben ik echter alleen. Alleen op Skype wel te verstaan. Niemand reageert op mijn chat bericht waarin ik vraag of iedereen klaar is voor de bespreking. Om kwart over twee ontvang ik een chat bericht: “Just woke up, sorry! Need a coffee, will join you a.s.a.p”. Het bericht komt van collega S uit de Verenigde Staten. Ach ja, bij haar is het nu 6 uur ’s ochtends, dan kun je je wel eens verslapen. In Kenya is het echter twee uur ’s middags,, net als hier in Israël. Mijn collega’s daar kunnen zich niet verslapen hebben, toch? Collega L is offline, Ik stuur haar een korte e-mal: “Hi! Where are you? We had planned a meeting from 2 to 3…”. Vooralsnog geen antwoord en ook geen verandering in haar online-status. Dan komt er een berichtje van collega M, eveneens in Kenya: “Are we meeting today?” …. In reactie op mijn bevestiging vraagt ze om 10 minuten uitstel, de regionaal directeur heeft haar even nodig. Uiteindelijk start de meeting rond half 3 terwijl ik om 3 uur de kinderen van school moet halen. De meeting start bovendien zonder collega L die simpelweg niet reageert op e-mails en die ook haar telefoon niet opneemt wanneer collega M haar belt om te achterhalen waarom ze er niet is.

Bizar verhaal? Niet realistisch? Forget it. This is the story of my working life! Serieus. dit overkomt me minstens eens per week en in weken met veel meetings gebeurt het vaker. Ik werk vanuit huis, op afstand van mijn opdrachtgever en van de mensen waarmee ik samenwerk. We werken niet alleen vanuit verschillende plekken op de wereld, ook leven we in verschillende tijdzones en hebben we uiteenlopende culturele achtergronden. Daar komen nog wat taalverschillen bij en problemen met internetverbindingen die buiten Europa en de VS helaas niet zo betrouwbaar zijn. tja, uitdagingen genoeg zeg maar.

Ik ben enorm dankbaar dat ik werk heb, al is het dan niet bij een opdrachtgever in Israël. Dat blijkt namelijk niet eenvoudig. Niet alleen vormt de taal een obstakel, ook de arbeidswetgeving werkt niet echt mee. Tot nu toe heb ik slechts één reële optie om in Israël te werken gehad, waarbij ik minstens 40 uur per week zou moeten werken voor een lager salaris dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik zou minder verdienen voor die 40 uur (plus) dan ik nu verdien met een kleine 20 uur werken per week. Het betrof bovendien werk dat me inhoudelijk totaal niet aansprak en wat totaal niet aansluit op mijn kennis en ervaring. Ik heb dus niets te klagen. En toch doe ik dat af en toe hartgrondig. Werken op afstand met tijds- en cultuurverschillen is namelijk niet altijd eenvoudig. Met name het verschil in cultuur vormt soms een obstakel. Ik heb me niet eerder gerealiseerd hoeveel impact dat heeft op samenwerking.

Zo ben ik gewend aan werken met duidelijke targets, deadlines, plannen, afspraken en met het uitgangspunt afspraak = afspraak aan de basis van de werkrelatie. Natuurlijk, daar komt wel eens iets tussen en dat laat je elkaar dan – indien mogelijk tijdig – weten. Heel Nederlands weet ik inmiddels. Nu werk ik voornamelijk met mensen in verschillende Afrikaanse landen en met mensen in de Verenigde Staten. Ze werken voor een NGO, een non-governmental organization. Een NGO is een non-profit organisatie die zich inzet voor een maatschappelijk belang. Dat is mooi. Alleen blijkt dat in dit geval in de praktijk te betekenen dat prioriteiten van dag tot dag kunnen veranderen als gevolg van noodsituaties en humanitaire rampen, maar ook vanwege andere, heel wat kleinere, afwijkingen van het reguliere. De organisatie cultuur is er een van totaal vertrouwen in het goede van de mens. In theorie is dat mooi, dat meen ik. In de praktijk brengt het echter met zich mee dat men het bijzonder moeilijk vindt om elkaar op verantwoordelijkheden aan te spreken. Als iemand niet komt opdagen bij een bespreking, zonder zich af te melden, gaan collega’s er vanuit dat er iets ergs gebeurd is. Geeft iemand al weken geen opvolging aan actiepunten? Geen probleem, hij/zij heeft het super druk en het regenseizoen leidt tot veel overlast in Kenya. Het gevolg van deze losse manier van werken is dat het maken van een planning weinig zinvol is, behalve dan deze pijnlijk duidelijk maakt wat de gevolgen zijn van zes weken oponthoud. Ik moet bekennen dat ik dat af en toe verschrikkelijk vind. Diplomatiek uitgedrukt. Ik voel me namelijk verantwoordelijk voor de afronding van dit project. Ik heb me gecommitteerd en wil het goed doen, ik wil resultaten boeken.

Ruim een maand geleden vond ik dat ik lang genoeg uitvluchten en excuses had geaccepteerd en heb ik de noodklok geluid. Mijn agenda had ik maanden lang vrijgehouden voor mijn opdrachtgever die me gemiddeld 24 uur per week nodig zou hebben. Die 24 uur haalde ik soms wel, vaker werden het in de praktijk (veel) minder uren omdat afspraken steeds gecanceld werden of zonder cancellation niet plaatsvonden, actiepunten niet werden opgevolgd, door mij opgestelde adviezen of documenten niet werden gereviewed etcetera. Ondertussen hield ik andere verplichtingen op afstand, ik meldde me niet aan voor lezingen omdat ik dacht een afspraak te hebben, ik maakte geen afspraken met vriendinnen en durfde me niet te committeren aan vrijwilligerswerk bij het Eritrees vrouwencentrum in Tel Aviv. Ik luidde dus de noodklok. En dat heeft gewerkt. Na enige discussie over het belang van het daadwerkelijk realiseren van doelstellingen en hoe samen te werken met de genoemde geografische afstanden en cultuurverschillen, gaf mijn opdrachtgever een duidelijke boodschap af aan de medewerkers in zowel de VS als in Afrika: zo kan het niet langer. En dat had effect. De bal ging eindelijk rollen. En hard.

Gisteren had ik een meeting met het senior management van de NGO waarvoor ik werk in Kenya. Vier managers, de country director, regionaal HR Manager en lokale HR Manager zaten in Nairobi in een vergaderzaal, ik zat achter mijn laptop in Israël en de Global HR Manager zat achter de hare in de VS. We bespraken de rangorde van alle functies in de organisatie in Kenya. Na maanden van trekken en duwen waren uiteindelijk alle functies beschreven en gewaardeerd en had de country director zijn feedback gegeven op dat alles. Best spannend is dan zo’n milestone meeting waarin het management team zich moet uitspreken over de rangorde. Die rangorde is immers bepalend voor de salarisniveau’s die medewerkers kunnen bereiken in hun functie. Na al mijn slechte ervaringen in de afgelopen maanden, was ik opgelucht en blij toen ik gisteren om half tien ’s ochtends opmerkte dat iedereen op tijd was (zelfs mijn collega in de VS waar het midden in de nacht was), dat de internetverbindingen overal werkten, dat iedereen voorbereid was en – misschien het belangrijkste van alles – dat de managers zich durfden uit te spreken over de rangorde. Niet heel Afrikaans namelijk, om je duidelijk voor of tegen iets uit te spreken. Het werd een constructieve bespreking waarbij het management ook met name onderling het gesprek aanging over de manier waarop de verschillende projecten worden aangestuurd en uitgevoerd. Het was louterend. De rangorde werd op vier functies na volledig ondersteund en goedgekeurd, afspraken werden gemaakt over harmonisatie van functienamen en over het creëren van betere carrièrepaden. Precies het soort issues waar ik ook mee te maken had toen ik  nog een normale baan had in Nederland.

En zo lijkt het erop dat ik mijn project in Kenya tot een goed einde kan brengen dit najaar terwijl ik de volgende twee projecten kan opstarten in Afrika en in Zuid Amerika. En daar ben ik best trots op.