Een onverwachte verhuizing

En dan is het opeens weken geleden sinds mijn laatste post. Geen nieuws is goed nieuws, zou je kunnen zeggen. In dit geval klopt dat ten dele. Inmiddels is ons leven weer op de rit, business as usual so to speak. Maar daarvoor moesten we wel “even” verhuizen.

Bijna vijf weken duurde onze vakantie afgelopen zomer. Een heerlijke tijd in Nederland en in Frankrijk, volop familietijd. Opgeladen keerden we terug naar Israël. De jongens hadden zin in het nieuwe schooljaar, Arjen had een spannende delegatie uit Nederland in het vooruitzicht en ik borrelde van de inspiratie voor mijn boek-in-wording. Maar, zoals de Amerikanen zeggen: “then life happened”. In ons geval was het om precies te zijn “then mold happened”. Een huis met schimmel wordt niet blij van vijf weken gesloten deuren en ramen in combinatie met hoge temperaturen en dito luchtvochtigheid. Schimmel wel. Sterker nog, schimmel wordt daar heel erg blij van. En groeit als kool. Het gevolg was dat Huize Kool ernstig muf rook en er interessante, grillige vormen zichtbaar waren op plafonds en muren in woonkamer en keuken, kelder, trappenhuis en werkkamer.

Nu is algemeen bekend dat schimmel niet bevorderlijk is voor de gezondheid. Met name mensen met allergie-klachten kunnen er aardig ziek van worden. Benjamin, onze jongste, worstelt sinds een kleine anderhalf jaar met vrijwel voortdurend aanwezige allergie klachten. Jeukende ogen, lopende neus en soms ademhalingsklachten. Achteraf gezien moeten de klachten ongeveer een half jaar na de eerste grote lekkage in ons mooie huis aan zee in Israël zijn begonnen. Op die eerste lekkage – die pas na weken werd verholpen – volgden er nog twee. Groei van schimmels was het gevolg. Een poging deze aan te pakken leidde helaas niet tot duurzame verbetering. Schimmel leek part of life in Israël te zijn. En als het niet zo ongezond was geweest, hadden we ons daarbij neergelegd. Benjamin reageerde er echter steeds heftiger op.

Terwijl de ambassade overleg pleegde met de huiseigenaar over renovatie van het huis en een tijdelijke verhuizing van ons, werd Benjamin ziek. Hoofdpijn hield hem uit zijn slaap en hij zag alles dubbel. Dat we bezorgd waren, is een understatement. Gelukkig is de gezondheidszorg in Israël uitstekend. Benjamin en ik mochten dat twee dagen intensief meemaken. Onderzoeken door neurologen en oogartsen werden afgewisseld met gesprekjes met de kinderarts. Hebreeuws spreek ik helaas niet – wat heb ik daar op dat moment van gebaald! – het was een enorm gedoe om onze weg te zoeken in het overigens geweldige Schneider Children Hospital in Petach Tikwah. Artsen spreken weliswaar Engels, maar spreken bij voorkeur Hebreeuws. Hoe vreselijk om te moeten luisteren naar gesprekken tussen artsen over je zieke kind terwijl je de taal niet machtig bent die zij spreken. Mijn opmerkingen dat ik een relatie tussen de hoofdpijn en de allergieën vermoedde, werden weggewimpeld. Dubbelzien duidt meestal op een neurologische aandoening of een probleem met de ogen. Ik kan niet zeggen dat dat me geruststelde. Nog een understatement.

Duidelijkheid kregen we pas na een nacht op de kinderafdeling – waarbij ik naast Benjamin sliep op een uitklapbed. Het hoofd van de afdeling kindergeneeskunde stelde toen voor om zijn bloed ook maar te laten onderzoeken, aangezien de neurologische testen geen eenduidig beeld opleverden en Benjamins ogen in orde leken. De bloedtest bevestigde wat ik al die tijd al vermoedde: Benjamin vertoonde een ernstige allergische reactie, oedeem in zijn sinussen zorgde voor de pijn en het dubbelzien. Het arme mannetje. Maar wat waren we opgelucht! Want aan die allergische klachten konden we iets doen. Aangezien de pollentijd in Israël afgelopen was, was de enige logische verklaring voor de toenemende klachten, de aanwezigheid van schimmel in huis. De huiseigenaar vond dat weliswaar vervelend voor ons, maar was niet van plan het huis te renoveren. Dat zou te kostbaar worden. Een verhuizing was onvermijdelijk. Een kleine twee weken na de diagnose verhuisden we dus. Naar een kleiner huis aan zee. Maar vooral naar een gezonder huis met een geweldige huiseigenaar waarmee we inmiddels al meerdere glazen wijn hebben gedronken.

Nu de chaos van de verhuizing achter ons ligt, dozen zijn uitgepakt, spullen een plek hebben gevonden, zien we Benjamin opknappen. Wat een opluchting. Hoofdpijn heeft hij nog maar heel af en toe, zijn ogen jeuken niet meer en ook de loopneus neemt af. Hij slaapt goed, is blij, straalt, maakt grapjes. En wij? Wij genieten van de jongens en van elkaar. Van ons nieuwe huis dat huiselijk is, gezellig en warm. En hoe bijzonder was het ons nieuwe huis te kunnen inwijden met onze vrienden hier. Iets wat een expat gezin eigenlijk nooit kan doen, aangezien je normaal gesproken niemand kent bij je verhuizing naar een huis op een nieuwe post.

Overigens hebben we in deze nare tijd mogen ervaren hoe enorm intens en waardevol de hier opgebouwde vriendschappen inmiddels zijn. De hulp die we kregen was geweldig. Een etentje bij een Nederlands gezin op de eerste dag van de verhuizing. Speelafspraakjes voor de kinderen, zodat wij onze handen vrij hadden. De dagen in het ziekenhuis met een stroom van sms-jes en mailtjes. Vrienden die een bevriende chirurg in het ziekenhuis inseinden dat ik wel wat hulp kon gebruiken. De goede man zorgde ervoor dat we uiteindelijk op een rustige kamer terecht kwamen waar Benjamin kon uitrusten (daarvoor lagen we op een kamer met een ruziënde moeder en zoon en een schreeuwende moeder met baby). Ook de school was enorm betrokken, Thomas werd geweldig opgevangen. De staf van de ambassade die ervoor zorgde dat we uiteindelijk snel konden verhuizen, dat ons internet werd omgezet, adreswijzigingen werden doorgegeven, een alarmsysteem geïnstalleerd. Het enige wat nu nog moet gebeuren is het op orde brengen van de schuilkelder die we gelukkig, ondanks de toegenomen onrust in het land, op dit moment niet nodig hebben.

Ik hoop van harte dat we de komende twee jaar in goede gezondheid en in vrede hier kunnen wonen, in dit heerlijke lichte huis in Herzlyia Pituach!

Wonen wij te lang in Tel Aviv?

Vriendin R wees me er afgelopen week fijntjes op dat ik inmiddels rijd als een Israëliër: ze had een stukje achter me gereden op weg naar de busstop en het was haar opgevallen dat ik niet één keer mijn richtingaanwijzers had gebruikt. We lachten er met z’n allen hartelijk om en er was herkenning alom, we lijken allemaal wat af te zakken in ons verkeersgedrag. Maar om eerlijk te zijn, trots ben ik er niet op. Goed dat R me erop wees, want dat soort verkeersgedrag kan ik niet echt waarderen in een ander. Bovendien rijd ik over een paar weken weer rond in Nederland. Het zou toch fijn zijn als dat zonder kleerscheuren en boetes gepaard kan gaan…

Dit voorval riep bij mij de algemene vraag op of we na ruim een jaar Israël misschien wat al te veel “verisraeliesd” zijn (ik weet het, dat is geen goed Nederlands!). De jongens bijvoorbeeld, uiten te pas en te onpas hun trots op de Israeli Defence Forces (IDF). “De IDF is echt het allerbeste leger van de hele wereld!” en “Als ik groot ben, ga ik bij de IDF om Israël te verdedigen”. Gelukkig hoor ik ook andere toekomstwensen, zoals net als papa diplomaat worden of – Benjamins grote wens – bergbeklimmer worden. Maar die IDF, dat is wel een dingetje hoor. Net als de Amerikaanse Air Force. De vader van twee vriendjes is hier gepost vanwege zijn positie bij de Air Force en ja, dat prikkelt de fantasie van onze jongens bijzonder. Ik vermoed dat ook jongens die in Nederland wonen af en toe door zo’n fase gaan, maar leven in een land dat voortdurend in conflict is met andere landen en waar militairen op straat en gevechtshelikopters in de lucht heel normaal is, ja, dat doet wel iets met de geest van een kind. Ik kan niet zeggen dat ik er blij mee ben. Anderzijds, ik merk dat het mij steeds minder opvalt. Die jonge meisjes in hun groene uniform voor me in de rij bij de kassa, hun mitrailleur over hun schouder als een damestasje. Het hoort er hier bij.

Op Facebook circuleert momenteel een artikel met als titel “20 signs you have been in Tel Aviv too long” (http://bubbleperspectives.wordpress.com/2014/11/03/20-signs-youve-been-in-tel-aviv-too-long). Gretig las ik het door om het vervolgens voor te lezen aan mijn ouders – zij waren bij ons op bezoek afgelopen week. Ja, er was herkenning. En nee, ik denk niet dat we hier te lang zijn :). Maar waakzaamheid is geboden. Mijn assertiviteit ten opzichte van onvriendelijk winkelpersoneel is erg gegroeid en dat is eigenlijk erg on-Ceciels om nog maar wat slecht Nederlands er tegenaan te gooien. Ik wil jullie de genoemde “20 signs” niet onthouden, ze zijn vermakelijk en geven een aardig beeld van onze huidige leefomgeving!

1. You use the word Yalla for every occasion

Nou nee, noch Arjen, noch ik gebruiken dat woord. Het woord balagan gebruik ik dan weer wel steeds vaker (vrij vertaald betekent dat chaos)…

2. You always show up to a party at least 30 minutes or an hour late

Wij zijn nog steeds aardig op tijd voor afspraken, maar moeten dan regelmatig constateren dat dit alleen voor ons geldt… Naar recepties gaan we inderdaad steeds later…

3. Anything more then 5 minutes travelling is far

Dit is voor onszelf helemaal niet herkenbaar, maar we merken dat dit voor velen om ons heen geldt. Israël is een klein land. Voor ons, gewend aan naar Frankrijk rijden voor een weekje skiën of kamperen, zijn de afstanden hier erg klein en we gaan er graag op uit met de jongens!

4. You know where the nearest bomb shelter is located

Helaas wel ja. En de kinderen kennen de drills, zowel voor raketaanvallen op school, onderweg of thuis als voor het betreden van het schoolterrein door bewapende slechterikken. 

5. You have a dog

Wie ons een beetje kent weet dat hier slechts één reactie de juiste is: NOOIT!

6. You drink only Goldstar

Tot mijn schaamte moet ik mijn oud-Heineken collega’s bekennen dat Goldstar inderdaad vaak favoriet is buitenshuis. Thuis wordt echter uitsluitend Heineken geschonken. 

7. You know how to get drunk in the city without spending too much money

Dit is denk ik meer iets voor een andere generatie. Alhoewel, de maandelijkse mannen-borrel die Arjen organiseert, vindt plaats tijdens het happy hour van de plaatselijke pub :). 

8. You spend a big percentage of your salary on weddings

We hebben jammer genoeg nog geen Joods huwelijk mogen meemaken of een Bar / Bat Mitzwa. Lijkt me bijzonder!

9. You know how to exit Dizengoff center through the same door you entered

Was het maar zo! Wat een doolhof!

10. You know Jewish holidays = “They tried to kill us. We survived. Now let’s eat”

Precies! En we doen er graag aan mee! De jongens kunnen de verhalen achter de Joodse feestdagen inmiddels aardig vertellen. Bijzonder!

11. Soldiers carrying weapons no longer catches your attention

Zoals gezegd, dat klopt wel aardig inmiddels.

12. You believe flipflops go with everything

Persoonlijk draag ik ze niet, maar het klopt, flip flops zijn hier beslist Het Schoeisel. Hoewel, zodra er een spatje regen is gevallen, worden de laarzen uit de kast getrokken. Of het nu warm is of koud. Zie nummer 16.

13. You know the names of all the beaches and which one to go to

Ja, ja, ja! Heel belangrijk! Vorig jaar hadden we met vrienden afgesproken bij Yam beach. We kenden de namen van de stranden nog niet goed en dachten dat het om het strand bij restaurant Yam 7 ging. Not. Het was het strand bij Nof Yam (ruim een kilometer verderop). Heel belangrijk dus als je een sociaal leven op het strand wilt hebben!

14. You are no longer affected by rudeness

Ik denk dat ik hier nooit echt aan zal wennen, maar merk een toenemende mate van assertiviteit bij mezelf die wel helpt om ermee om te gaan. Zo fijn dat dat in Nederland niet of nauwelijks nodig is…

15. 5 minutes of rain means that winter is here and we need to make soup

We blijven wel Nederlands hoor, een spatje regen is voor ons heel normaal. We gaan rustig naar het strand bij zware bewolking. De kinderen echter, blijken er steeds duidelijker anders over te denken. Regen is voor hen tamelijk uitzonderlijk. In Israël kunnen maanden voorbij gaan zonder regen…

16. You know to bring a sweater with you to the cinema during boiling hot summer days

Ik heb altijd een omslagdoek in mijn tas! Ook in shopping malls. Of bij meetings op school. Airconditioners staan meestal op  een temperatuur ingesteld 7 graden kouder dan buiten…

17.  You do most of your shopping from home

Nee. Want ik lees en schrijf geen Ivriet en alle formulieren voor shopping via internet zijn in Ivriet… Maar er zijn supermarkten die ik inmiddels vermijd omdat het er zo overvol is met jongens en meisjes die kratten vullen met boodschappen die afgeleverd moeten worden en dat is met name bij de kassa erg ingewikkeld…

18. You know how to make a kombina

Dit zegt me eigenlijk niets. Maar dat Israëliërs op zoek zijn naar een goede deal, ja, dat is wel bekend…

19. You order Café Hafuch instead of Cappuccino

Natuurlijk! Café Hafuch Kadol (een grote cappuccino). Dat is dan ook een van de weinige dingen die ik in het Ivriet kan zeggen zonder me ongemakkelijk te voelen :).

20. You experience withdrawal sympthoms if stranded without Hummus

JA!!! Afgelopen zomer hebben we zelfs tijdens onze vakantie in Nederland hummus gekocht bij Albert Heijn. We konden niet zonder! Zelfs Thomas heeft inmiddels een mening over de smaak van hummus (de ene is de andere niet!).

 

Mijn eerste luchtalarm

In een parkeergarage, schuilen voor een raket

In een parkeergarage, schuilen voor een raket

Het is dan toch gebeurd, ik heb mijn eerste luchtalarm meegemaakt. Ofwel red alert. Datzelfde geldt voor Arjen en voor de jongens. Het bleek uiteindelijk om een vals alarm te gaan. Ik vond het niet leuk. En dat is echt the understatement of the year.

Vanochtend vroeg las ik dat bronnen van Palestijnse zijde voorspellen dat er binnen enkele uren een staakt het vuren zou zijn. Onderweg naar de bushalte had ik het daar met de jongens over. Thomas had namelijk iets opgevangen en wilde weten wat er vanmorgen op het nieuws was. Dit leek me wel iets om met ze te delen en we praatten met elkaar over hoe je, ook als je ruzie hebt met elkaar, kunt afspreken een time out te nemen om na te denken en dat het daarna gemakkelijker is om het goed te maken met elkaar.

Nadat de schoolbus was vertrokken, ging ik met vriendin D koffie drinken bij Yenkele, het koffietentje direct bij de halte van de schoolbus. D en ik zijn beiden voorzitter van een groot event op school en ze zit in de policy committee waarvan ik als bestuurslid voorzitter ben. We were talking shop, zoals men dat hier noemt. Gezellig en nuttig. Tot het alarm afging. Een alarm dat ik eerlijk gezegd helemaal niet meer verwacht had. Er zou toch bijna een staakt het vuren zijn? Mijn hart schoot in mijn keel en mijn maag draaide zich om. Ik kon alleen aan de jongens denken, waar zij waren en of daar ook luchtalarm was. Of de bus al in Even Yehuda was (het was kwart over acht zag ik later, dus school was gelukkig al begonnen) of dat ze misschien nog op de snelweg waren. Ik had geen notie van tijd en ik had echt geen idee waar ik naartoe moest. Om ons heen zag ik ook alleen maar “kippen zonder kop”. Niemand leek te weten waar we konden schuilen. Vriendin D had ook geen idee.

Aanvankelijk wilden we Yenkele in rennen, het tentje waar we koffie zaten te drinken. Daar werden we echter direct weer naar buiten gestuurd, ze hadden geen veilige plek. Dan maar naar het naast gelegen autoverhuur bedrijf. Waar we ook werden weggestuurd. Het was enorm chaotisch. Totdat de manager van Yenkele het voortouw nam en ons de hoek om dirigeerde, de straat in waar zich ook de residentie van de Nederlandse ambassadeur bevindt. We renden achter elkaar aan een ondergrondse parkeergarage in die me werkelijk nog nooit eerder was opgevallen. Een privé garage, de poort was gesloten. Precies op het moment dat ik bedacht dat dit verre van veilig was, gingen de hekken open: de manager van Yenkele bleek de afstandsbediening bij zich te hebben.

Zo stonden we even later met een stuk of tien mensen te schuilen in een ondergrondse parkeergarage. Terwijl de hekken langzaam dicht gingen, kwam vriendin L – één van mijn dierbaarste vriendinnen hier – naar binnen rennen. Ze was op het moment dat het alarm afging aan het hardlopen en was op zoek naar een schuilplek. We vielen elkaar om de hals, zo fijn om ons eerste luchtalarm met elkaar mee te maken. En niet alleen thuis te zijn. Of, zoals Arjen, met de fiets ergens tussen Herzlyia en Ramat Gan (waar de ambassade gehuisvest is) onder een boom te moeten schuilen.

Na tien minuten konden we de schuilkelder verlaten. Buiten zagen we allemaal mensen naar de lucht turen. Er was niets te zien. We hadden ook geen explosie gehoord. Even later regende het weer sms-jes van allerlei alert-apps: het was een vals alarm. Dat was op zichzelf wel een opluchting, maar het deed niets af aan de gevoelens van mij en mijn vriendinnen. We vonden het eerlijk gezegd echt verschrikkelijk om mee te maken. Het maakt je er weer even enorm van bewust dat we toch echt in een land in oorlog wonen. Ja, we zijn hier super veilig, dat geloof ik nog steeds. We hebben maar liefst 90 seconden respons tijd op het moment dat het alarm afgaat en dat is best lang. Maar toch.

Zojuist kreeg ik bericht van vriendin P die met manlief in de eigen schuilkelder een kopje koffie dronk, dat er ook op school luchtalarm was. Onze kinderen hebben dit dus ook meegemaakt. Het allerliefst zou ik nu in de auto springen en naar school rijden om te zien hoe het met ze gaat. Maar dat kan dus niet. Dat mag niet – beleid  van de school. Ik baal. Ik baal enorm.

Leven in een vreemde realiteit

foto

Aan de lange tafel in onze eetkeuken zitten 8 dames en een heer. We hebben onze eerste vergadering over de te organiseren International Day op school. Ik ben voorzitter. Overigens kom ik nauwelijks aan het woord want de President van de PTA (Parent Teacher Association) is er ook en zij informeert mij en mijn team over de randvoorwaarden waar het evenement aan moet voldoen.

Nu vindt International Day pas midden mei 2015 plaats, we hebben dus nog even. Hopelijk is het tegen die tijd weer echt rustig en veilig in Israël en Gaza. Maar op dit moment bevinden de inwoners van Gaza en Israël zich duidelijk in een onzekere situatie als het gaat om hun veiligheid. Als voorzitter van het organiserend comité voor International Day, moet ik daar rekening mee houden. Dat betekent dat er een emergency plan moet zijn. Wat doe je met 1.500 gasten van binnen en buiten de school als er een raket in de richting van Even Yehuda wordt afgeschoten? En wat vindt de IDF – het Israëlische leger – eigenlijk van zo’n grote bijeenkomst in tijden van conflict? En dan is er het vraagstuk  van de gasten uit momenteel politiek beladen landen. Mogen we van de IDF bijvoorbeeld Turkse gasten ontvangen op zo’n groot evenement? Gaat het ons lukken om de Israëlische en Palestijnse ouders gezamenlijk een tafel te laten inrichten om de “colours en flavours” van hun land(-en) te showen? Dat laatste vraagstuk werd met enig gehoon van de tafel geveegd door de aanwezige Israëlisch/Joodse mensen vanmorgen. Het is één land, er komt één tafel. Een Israëlische tafel. Tja, daar sta je dan mooi voor als niet-Israëlische voorzitter met iets andere denkbeelden over dit onderwerp.

Goed, we waren dus in een interessante discussie verwikkeld toen opeens alle telefoons – die pontificaal op tafel lagen – op precies hetzelfde moment begonnen te piepen. Automatisch reikten 9 handen naar 9 telefoons en niet veel later hoorden we duidelijk explosies van ofwel raketten die ergens zuidwaarts de aarde raakten ofwel de explosies van de luchtafweer raketten  van de Iron Dome. Het dreunde aardig in ons huis. Het waren niet eens explosies bij Tel Aviv, zo bleek uit de sms-jes die we even eerder hadden ontvangen.  De raketten waren op doelen zuidelijker gericht en toch waren de explosies duidelijk hoorbaar.

Op dit moment worden er weer de hele dag door raketten en mortieren over en weer geschoten. Het is verschrikkelijk, ik kan het niet anders zeggen. Dat wij daar rekening mee moeten houden bij de organisatie van onze International Day, is niets als je nadenkt over de gevolgen voor de mensen in het zuiden. In Gaza valt niet veel meer te organiseren. Los van het feit dat men daar niet over het soort scholen beschikt waar wij zo mee gezegend zijn, staat er daar simpelweg niet veel meer overeind. Arjen sprak deze week een journalist die net terug is uit Gaza. Het schijnt echt afschuwelijk te zijn. En dan de mensen in Zuid Israël? Hun economie is behoorlijk onderuit gegaan, ze brengen veel tijd in en rond hun schuilkelder door. Ja, de Iron Domes functioneren goed, gelukkig. Maar het is ontwrichtend zo te moeten leven. Want ook voor “shrapnel” moet je de schuilkelder in.

Hoe belangrijk dat is, bleek wel toen er een stuk shrapnel  door het dak viel van de Nof Yam school. De hele punt van een raket kwam daar naar beneden. Waar Nof Yam is? Nof Yam is het buurtje naast het onze. Daar wonen vriendinnen van me met hun gezinnen. Veel vrienden in Nof Yam,  maar ook hier in Herzlyia Pituach, hebben shrapnel in hun tuin gevonden. Een goede vriend van ons was bijna half-slapend zijn huis uit gelopen toen hij dacht dat het weer veilig was na een luchtalarm. Om voor hemzelf onduidelijke redenen bleef hij even staan in de deuropening en precies op dat moment zag hij vlak voor zich een regen van brokstukjes van een raket of van afweergeschut naar beneden vallen. Die schuilkelders hebben dus wel degelijk een functie, zelfs met geweldig afweergeschut.

Na hun eerste schooldag, kwamen de jongens thuis vol stoere verhalen. Voor Benjamin was het hoogtepunt van de dag wel dat hij erachter was gekomen dat de school een super coole schuilkelder heeft bij de sportvelden. Met douches en wc’s. En voor Thomas was dat de ontdekking van een wel héél grappige schuilkelder: in de meisjes-wc in de buurt van zijn klaslokaal.

En zo leven we momenteel dus. In een bizarre realiteit met schuilkelders, emergency plans en discussies over Israëlische en Palestijnse tafels. Ik ben er erg verdrietig over en kan niet ontkennen dat ik me zorgen maak. Niet zozeer over onze veiligheid. Nog niet althans. Maar wel over de sfeer waarin onze kinderen naar school gaan en over het feit dat ik ze voortdurend moet bijsturen in hun spelletjes. Hier in huis worden namelijk onder geen beding raketten afgeschoten of getekend.

One year down, three more to go

Een week geleden schreef vriendin J op facebook: Wow, one year in Israël already! Een paar dagen later meldde vriendin R hetzelfde. Deze week realiseerde ik me dat ook wij ons eerste jaar in Israël erop hebben zitten. De tijd is snel voorbij gegaan, het was zeker niet altijd gemakkelijk. Er is veel gebeurd, zowel hier als in Nederland. Ups en downs hebben elkaar afgewisseld. Vooral in de periode dat we hoorden dat mijn moeder geopereerd moest worden aan wat uiteindelijk gelukkig een zeer kleine tumor bleek te zijn, was het voor mij persoonlijk niet gemakkelijk. Of je nu in Tanzania woont of in Israël, de afstand ten opzichte van Nederland voelt op zo’n moment als die tussen de aarde en de zon.

Maar… we hebben ons er doorheen geslagen. Allemaal. Precies op de dag dat wij onze eerste Israël-verjaardag konden vieren, onderging mijn moeder haar laatste bestraling. Haar perspectieven zijn bijzonder goed, we vertrouwen er allemaal op dat dit het was en dat het hierbij blijft. En voor ons hier in Israël geldt denk ik hetzelfde, we laten een periode van aanpassen en wennen achter ons en kijken vol vertrouwen en plezier uit naar wat komen gaat.

Een overplaatsingsjaar is altijd pittig, ongeacht wat je verwachtingen waren aan het begin. Het tweede jaar is dan een verademing. Je kent de weg in je nieuwe land, letterlijk en figuurlijk. Je hebt vrienden gemaakt, je kent de school. Als ik terugdenk aan die eerste weken in Israël… wat voelde ik me verloren. Ik kende vrijwel niemand, kende de weg naar precies twee supermarkten, naar de school en naar een speeltuin. Ik wist hoe op het strand te geraken en ja, dat was het wel zo’n beetje. Het gebeurde die eerste weken nog geregeld dat ik van het boodschappen doen thuiskwam met verkeerde producten: geen smeerkaas maar kwark, geen yoghurt maar zure room en toch weer brood met desem, waar ik zelf erg van houd maar wat de jongens echt niet lekker vinden…, de taalbarrière speelde me parten. Ook overkwam me een keer dat ik een cappuccino had besteld en er twee kreeg. Omdat ik wat onhandig had uitgelegd dat ik mijn koffie graag met magere melk wilde. Ik begrijp inmiddels wel iets van het Ivriet, maar echt spreken doe ik het niet en dat zal ook niet gaan gebeuren vrees ik. Wel is mijn zelfvertrouwen enorm gegroeid. Ik laat me niet meer overrompelen door de Israëlische manier van doen in winkels en op terrassen en check of ze me begrepen hebben. Ook heb ik ontdekt dat je met een glimlach en een “shalom” en “yom tov” heel ver komt, zelfs bij de meest botte Israëliërs. Dus die heb ik altijd in de aanslag 🙂

Voor de jongens was het ook niet altijd eenvoudig. Thomas bleek wat achter te lopen qua rekenen en werd al snel in een bijles groepje geplaatst. Hij vond dat vreselijk, hij had ook al bijles Engels en logopedie in het Engels, allemaal tijdens schooltijd. Hij werd dus steeds uit de klas gehaald – overigens met klasgenootjes die ook wat extra aandacht nodig hadden voor sommige vakken – en voelde zich daardoor “anders dan de rest”. Hij heeft keihard gewerkt, onze oudste! Zijn eindrapport was prachtig, hij heeft een topjaar gehad, zijn achterstanden volledig ingelopen. Een uitblinker op het voetbalveld, in zijn art-class en in zijn Engels klasje. De juffen lopen met hem weg, hij is “sooo responsible and helpful”. Benjamin had het moeilijker dan Thomas met de verhuizing naar Israël. Hij mistte ons huis en de mensen die daar iedere dag waren. Onze nanny, de huishoudster, de tuinman en de chauffeur. Dat waren zijn vrienden, zijn familie, zijn leven. Vaak heeft hij gevraagd wanneer we nu eindelijk terug zouden gaan naar Tanzania en hij heeft zich oprecht zorgen gemaakt over Nellie, onze nanny. We hebben de jongens maar niet verteld dat onze tuinman, Godi, inmiddels is overleden. We hadden het daar zelf erg moeilijk mee, vooral omdat hij nog met ons in contact heeft proberen te komen toen hij geld nodig had. Dat was een paar weken voordat we hoorden dat hij dood was.

Maar goed, de opstart perikelen hebben we gehad, het gemis van Tanzania is op de achtergrond geraakt. We genieten simpelweg enorm. Ons huis met de zee grenzend aan de tuin, het zwembad, de gezelligheid met de buren en hun kinderen, levert vanaf vrijdagmiddag een instant vakantiegevoel. Het lijkt soms een camping, de kinderen houden voortdurend in de gaten wie er thuis is en wie niet, wie er naar het zwembad gaat of naar het strand. Op zaterdagochtend is ons huis vaak gevuld met een hele zooi kinderen. Ons sociaal leven is super. Ongelooflijk wat je in een jaar tijd met mensen kunt opbouwen. Plezier, er voor elkaar zijn, mooie en verdrietige momenten delen. En dat terwijl we elkaar allemaal nog maar zo kort kennen. En dat is mooi aan het zwervende expat bestaan: vriendschappen kunnen zich razendsnel verdiepen, omdat iedereen los is van zijn/haar normale sociale structuur. Ik vind dat bijzonder en ik ben zo dankbaar voor de mooie nieuwe contacten die we hebben opgedaan.

Toen mijn vriendinnen en ik ons realiseerden dat we allemaal zo’n beetje ons eerste jaar hier in Israel erop hebben zitten, verbaasden we ons er weer eens over dat we vrijwel tegelijk aan zijn gekomen, ons allemaal intens eenzaam hebben gevoeld die eerste weken tot de school begon en dat we niet van elkaars bestaan wisten. En dat terwijl ons aller levens zich een jaar geleden afspeelde tussen dezelfde twee malls en die ene grote speeltuin. Hadden we toen maar geweten hoe we ons nu zouden voelen. Dan was het toen een stuk gemakkelijker geweest. En gelukkig, gelukkig hebben we elkaar gevonden. Dat was dan wel niet in die hete zomer in Tel Aviv toen we regelmatig op dezelfde plekken naar onze spelende kinderen zaten te kijken zonder elkaar te kennen, maar later, toen we onze levens op de rit begonnen te krijgen.

Fijn om hier straks, na de zomervakantie in Nederland, terug te komen en de draad weer op te pakken.

 

 

Happy family on holiday in Jordan (Petra)

Happy family on holiday in Jordan (Petra)

Only in Israel…

“This is Africa”, ook wel afgekort tot TIA, hoor je vaak in Tanzania (en in andere Afrikaanse landen) als commentaar op bizarre, mooie en frustrerende ervaringen die typisch zijn voor het leven in Afrikaanse landen. In Israël hebben we een equivalent daarvoor: OI, ofwel “Only in Israël”. Dat er zo’n uitspraak bestaat, zegt genoeg. Er is zelfs een Facebook groep met deze titel, vanzelfsprekend ben ik daar lid van. Heel leerzaam, de ervaringen die mensen er met elkaar delen. Kortom, we maken hier soms de meest bizarre situaties mee. Momenten die me steeds vaker een glimlach ontlokken. Want het heeft zo z’n charme. die “Only in Israël” momenten. Hoewel ze soms ook ronduit vervelend zijn.

Laat me jullie vertellen over mijn “habibi”, zoals mijn vriendinnen hem plagend noemen. Geen idee hoe hij heet, hij is de manager van het autoverhuurbedrijf in Herzlyia Pituach. Zijn kantoortje zit naast Yankale, het koffietentje / bakkertje waar ik minstens eens per week een cappuccino drink met een van mijn vriendinnen. Zowel het autoverhuurbedrijf als Yankale liggen bij de busstop van de schoolbus. Iedere ochtend sta ik daar de bus uit te zwaaien, meestal volgt er nog een minuut of tien van geklets met moeders en vaders. Anyway, enig idee wat habibi betekent? Het is Arabisch voor iets als “mijn liefste”. Heb ik dan een habibi anders dan mijn geliefde Arjen en onze mannetjes? Geen zorgen, geen huwelijksstress. Maar mijn habibi hoopt daar al maanden op, op huwelijksstress in huize Kool. Toen ik in september kennis met hem maakte – ik werd aan hem voorgesteld door vriendin P die maanden een auto bij hem huurde – maakte hij direct duidelijk dat hij me geweldig vond. Of ik single was? Mijn duidelijke afwijzing heeft hem zijn hoop niet ontnomen. Zo’n beetje iedere 6 weken informeert hij of mijn man en ik nog bij elkaar zijn. Just in case. Mocht het huwelijk ooit stranden, dan moet ik hem dat zeker even laten weten. Buiten deze momenten waarop ik hem steeds weer moet teleurstellen, komt hij regelmatig een praatje maken, waarbij hij me steevast complimenteert met mijn kleding of mijn zongebruinde huid (“Now you are a real Israëli woman, you are no longer white”, vertelde hij me vorige week). Ik kan me niet voorstellen dat ik zoiets in Nederland zou meemaken.

Een ander typisch OI momentje, maakte ik mee in Nazareth, tijdens ons bezoek aan de Basiliek van de Annunciatie met mijn ouders. Het was een heerlijke ochtend, we hadden de basiliek uitgebreid bekeken en de jongens hadden muntjes gegooid in de putten onder de basiliek. Dat zou geluk brengen. Op de een of andere manier had ik mijn portemonnee daar laten liggen, op een bankje in die catacomben. Niet gemerkt overigens, ik kwam er pas achter toen er een dame op me af gerend kwam, helemaal opgewonden roepend: “”Are you Sesjel? Are you Sesjel Hoels? Het duurde even voor tot me doordrong dat ze het tegen mij had en dat het mijn naam was die ze uitsprak. Toen ik uiteindelijk bevestigend antwoordde, werd een oudere man erbij geroepen die een pasje in zijn hand hield dat hij nauwkeurig bekeek, waarna hij mijn gezicht bestudeerde. Vervolgens werd ik meegetrokken naar een kantoortje waar tot mijn grote verbazing mijn portemonnee lag. Die was door de dame in kwestie gevonden en afgegeven bij de beveiliging van de kerk. Vervolgens was men op zoek gegaan naar mij, een pasje met daarop mijn foto als leidraad. Ik kreeg alles terug. De beveiliger vertelde me dat mensen vaak zo in vervoering raken tijdens het bekijken  van de overigens prachtige kerk, dat ze van alles vergeten in de kerkbanken. Hij vroeg ons waar we vandaan kwamen. Toen hij hoorde dat we Nederlanders waren, sleepte hij ons mee naar een bijzondere bronzen deur in de basiliek. De Nederlandse deur. Geschonken door een Nederlands bedrijf. Vervolgens wilde hij met mijn moeder op de foto voor die deur en zegende haar bij het afscheid. Misschien heeft dat laatste geluk gebracht? :). Only in Israel…

Only in Israël bevoelen mensen uitgebreid broden alvorens er een uit te kiezen en in een zak te laten glijden en mee te nemen naar de kassa. Datzelfde gebeurt met groenten en fruit. Ik sta er maar niet meer bij stil hoeveel mensen aan mijn stokbrood hebben gevoeld tegen de tijd dat ik het koop. Only in Israël worden appels in bakken gegooid (ja, gegooid) in de supermarkt. Ik vind zelden echt gave appels, meestal zitten er aardig wat blutsen in. Only in Israël parkeert men midden op straat om even een cappuccino te halen voor onderweg. Dat het verkeer daardoor 10 minuten tot stilstand komt, ach, wie maakt zich daar druk om? Of jawel, daar maken mensen zich wel druk om. Want het kan zo maar gebeuren dat een vrachtauto die erlangs wil, 10 minuten lang claxonneert, tot de bestuurder van de auto relaxed van zijn cappuccino genietend aan komt lopen, naar de inmiddels woeste chauffeur zwaait, instapt en doorrijdt. Only in Israël kan het voorkomen dat je 5 minuten bij de slager staat te wachten (als enige klant), terwijl de slager grinnikend op zijn iPhone chat met iemand, om pas na het uitwisselen van meerdere berichten naar de toonbank te slenteren en te vragen of hij je kan helpen. Het heeft geen enkele zin dat proces te proberen te versnellen heb ik inmiddels gemerkt. Ik wacht inmiddels gelaten – momentje van onthaasten – tot hij tijd voor me heeft. Only in Israël zijn kinderen in ieder restaurant welkom, van het tentje op de hoek van ons pleintje waar veel gezinnen komen en waar onze kinderen steevast verwend worden met kleine cadeautjes, tot de meer exclusieve restaurants in Tel Aviv. Kinderen die rondrennen, een praatje willen maken met de serveersters of vragen om papier en stiften, het is allemaal helemaal o.k en ik vind het heerlijk. Nou ja, behalve dan wanneer ik me had verheugd op een romantisch diner à deux met mijn enige echte habibi in een goed restaurant in Tel Aviv, waarbij ik blijk uit te kijken op een borstvoedende vrouw die een tafeltje verder zit met haar habibi. Ik ben echt pro-borstvoeding overigens en heb het zelf ook overal gedaan, maar toch niet in een exclusief restaurant.

Laat ik het laten bij deze Only in Israël momenten die me vooral doen glimlachen en die het leven hier een mooi gouden randje geven. De vervelende momenten, vooral bij de bank, in het verkeer en bij het parkeren (heb ik al eens verteld over die grote enge Rus die twee deuken in onze auto sloeg?), die zijn er ook. Voer voor een andere aflevering van mijn weblog.

 

 

Afrikaanse vluchtelingen in Israel

Het merendeel van de lezers van mijn persoonlijke weblog, hebben waarschijnlijk mijn artikel over de situatie van Afrikaanse vluchtelingen in Israël gelezen op http://www.lindanieuws.nl/wereldwijven. Omdat het onderwerp me erg raakt en omdat ik ergens in de komende weken een bezoek hoop te brengen aan The Schoolhouse, een in 2012 opgerichte school voor volwassen asielzoekers in Israël, schrijf ik er bij deze ook over op mijn weblog.

Met 4 andere diplomatic spouses, dames/vriendinnen die ik via mijn Hebrew class ken, staan we met een wat onbehaaglijk gevoel in een troosteloze straat in zuid Tel Aviv. Het huisnummer dat aan ons is doorgegeven, prijkt op de gevel van een pand dat zo mogelijk nog deprimerender is dan de andere panden in de straat. Graffiti op de muren, met stalen luiken afgesloten ramen aan de voorzijde en slechts enkele raampjes voorzien van tralies. Triest. En toch. Dit trieste gebouw herbergt een sprankje hoop voor Eritrese vrouwen die als vluchteling in Israël verblijven. In dit gebouw is namelijk het Eritrean Women Community Center gevestigd. Overdag een veilige opvang voor de kinderen van de werkende en werkzoekende moeders. ’s Avonds een centrum voor volwassen educatie.

Dan, een medewerker van Amnesty International, wacht ons op. We mogen even naar binnen kijken in het centrum. Jonge Eritrese kinderen, vrijwel allen gehuld in winterjasjes met vale kleuren, kijken ons nieuwsgierig aan. Een van hen kan ik niet uit mijn hoofd krijgen. Zo klein, zo kwetsbaar, een fles melk in zijn knuistjes geklemd alsof het zijn anker op een woelige zee is, een te grote dons-jas aan om hem te beschermen tegen de voor hem zo ongewone kou. Ik durf geen foto’s te maken binnen. Dat voelt niet goed. Maar de ruimte moet je je voorstellen als klein, onderkomen, een veelheid aan uiteenlopende boxen en camping-bedjes achterin de ruimte, daarvoor hier en daar wat speelgoed op de tegelvloer. Kinderen die wat wezenloos rondscharrelen. Gevluchte kinderen. Wat zullen ze al niet meegemaakt hebben? En wat staat hen nog te wachten?

Dan neemt ons weer mee naar buiten. Gezeten op tuinstoelen op een buitenspeelplaats, luisteren we naar zijn verhaal en dat van twee jonge mannelijke vluchtelingen. Respectievelijk uit Sudan (ook Dan geheten) en Eritrea (helaas, zijn naam ben ik vergeten). Beiden nog geen 30 jaar. Geen van beiden heeft een beroepsopleiding kunnen voltooien. Om uiteenlopende maar even trieste redenen. Wat hen hier brengt is oorlog, geweld, onderdrukking. Zij dachten een veilig heenkomen te vinden in Israël. Een immigranten land bij uitstek. Een land met inwoners waarvan een deel ooit naar Israël vluchtte om een bestaan op te bouwen na de holocaust te hebben overleefd. Niets bleek minder waar. Goed, ze zijn in betrekkelijke veiligheid nu. Maar: hun asielaanvraag – en die van de 55.000 andere asielzoekers – wordt niet in behandeling genomen. En: het lijkt er momenteel sterk op dat de verstrekte tijdelijke visa (met de duur van een tot drie maanden) niet meer verlengd worden. Vele Eritreeërs en Sudanezen hebben inmiddels een brief ontvangen waarin hen wordt kenbaar gemaakt dat zij zich, na het verlopen van hun tijdelijke visum, moeten melden in Holot. Een detentiecentrum in de Negev. Opsluiting voor onbepaalde tijd staat hen te wachten. Tenzij er voor het verlopen van hun tijdelijke visum een oplossing komt. Een bestaan opbouwen, al is het maar voor de duur van hun hopelijk tijdelijke verblijf hier, zit er niet in voor de Afrikaanse vluchtelingen. Ze wachten en hopen.

Laten we eerlijk zijn: geen enkel land zit te wachten op de toestroom van asielzoekers. Het vergt nogal wat qua logistiek en huisvesting en dan zwijg ik nog van de administratieve last die erbij komt kijken om de status van asielzoekers vast te stellen. Maar tegelijkertijd: we hebben het hier over vluchtelingen. Echte vluchtelingen. Geen gelukszoekers die hopen op een beter inkomen en betere scholing voor hun kinderen. Nee. Mensen die hun land ontvlucht zijn vanwege oorlog, bloedvergieten, geweld. Sterker nog: een deel van deze vluchtelingen had een soort van tijdelijk veilig heenkomen gevonden in de vluchtelingenkampen in Sudan. Een kamp van waaruit ze vervolgens werden ontvoerd om vastgehouden, gemarteld, verkracht en bedreigd te worden in de Sinaï woestijn. Dat je zoiets overleeft, mag een wonder heten. Hoe afschuwelijk om dan na al die ontberingen, in Israël aan te komen en erachter te komen dat je wordt beschouwd als een indringer, een crimineel. Iemand die erop uit is de Joodse samenleving demografisch te ontwrichten. Want dat lijkt de grootste drijfveer te zijn achter het handelen van de Israëlische regering. De angst om door de toestroom van niet-Joodse mensen, Israël haar Joodse karakter te zien verliezen. Hetgeen het land nog kwetsbaarder zou maken.

En daarmee raak ik direct dat steeds terugkerende onderwerp in gesprekken onder expats. Het kwetsbare Israël met haar complexe verleden en heden. Met een bevolking die getekend is door trauma. Nog steeds. Niet alleen de daadwerkelijke holocaust slachtoffers lijden nog dagelijks onder hun herinneringen. Ook hun nageslacht. Ik zeg wel eens: het gaat blijkbaar in de genen zitten, die angst voor vervolging en uitroeiing. En dat maakt alles zo ontzettend ingewikkeld. Ik zal er zeker nog eens een weblog over schrijven (of twee, drie, of tien). Want het is een onderwerp dat moeilijk is maar ook onvermijdelijk. Israel, het land dat zichzelf voortdurend moet beschermen tegen haar buurlanden en tegen aartsvijand Iran. En blijkbaar ook tegen onschuldige vluchtelingen uit door oorlog verscheurde landen in Afrika.

Gistermiddag, vlak voor het einde van zijn werkdag, werd Arjen gebeld door een Eritrese man. Of hij Arjen (nu) even kon spreken. Arjen probeerde uit te vinden waarom en wat precies de bedoeling was. Uiteindelijk ging hij akkoord om de man even beneden te ontmoeten. Toen hij hem vroeg waar hij hem aan kon herkennen, gaf de man aan dat dat wel goed zou komen. Op tijd realiseerde Arjen zich wat er aan de hand was. Beneden, voor het gebouw waar de Nederlandse Ambassade gevestigd is, stond een grote groep Eritrese vluchtelingen. Met spandoeken. Zij maakten een mars (en ze maken er veel momenteel) langs ambassades en VN organisaties. Om hun zaak onder de aandacht te brengen. Om om hulp te vragen. Arjen nam zijn collega van de politieke afdeling mee naar beneden, waar hij een brief in ontvangst nam. Een brief waarin onder andere staat dat Nederland circa 75%  van de Eritrese asielzoekers accepteert als officiële vluchteling. Ten opzichte van nog geen 1% van de Eritrese vluchtelingen die als vluchteling worden erkend in Israël. Dat wil wel wat zeggen.

Ik kan mijn weblog slechts eindigen met: wordt vervolgd. Dit onderwerp laat mij voorlopig niet los.