De expat vakantie – of wat daarvoor moet doorgaan

Vraag de gemiddelde expat hoe zijn/haar vakantie in het paspoortland – waar dat ook mag zijn – eruit ziet en je bent al moe voor je gesprekspartner is aanbeland bij de terugreis naar het expat-land.

Het gemiddelde Nederlandse gezin brengt tijdens de schoolvakantie denk ik een week of twee à drie door op een vakantiebestemming. De rest van de – wat is het, 6 weken durende – vakantie logeren kinderen bij opa’s en oma’s, spelen ze op de BSO of gaan misschien op zeilkamp. Zo’n vakantie hebben wij nog nooit gehad. Want toen Thomas vier jaar was, verlieten wij Nederland. Dat is nu vijf jaar geleden. Je zou denken dat we inmiddels het ideale concept voor onze ‘expat-vakantie in Nederland’ wel gevonden hebben. Helaas. We maken nog steeds dezelfde inschattingsfouten waardoor we na een maand Nederland (en Frankrijk) tamelijk uitgeput terugkeren naar Israel.

Ons probleem: we willen te veel, kunnen niet kiezen. Dus doen we veel.

En genieten volop, daar niet van. Maar zelfs zonder te kiezen en met een overvol programma heb ik aan het eind van de vakantie het gevoel tekort te hebben geschoten. Er zijn namelijk altijd vriendinnen die ik had willen zien – maar niet gezien heb. De tijd met mijn ouders en mijn zusje is altijd te kort en hetzelfde geldt voor Arjens familie. En dan zwijg ik nog van de vele ooms en tantes en neven en nichten waarvan we velen in geen jaren gezien hebben.

Moeilijk ook voor hen, dat wij onze jaarlijkse kampeervakantie in La Douce France zo belangrijk vinden dat we die niet willen laten vallen. Dit jaar hebben we dat deel van de zomervakantie wel wat ingekort. Want naast al die leuke dingen – familie, vrienden, etentjes, borrels, zelfs twee verjaardagen die we dit jaar mee kunnen vieren – zijn er ook nog eens talloze regel dingen. En medische kwesties. Om maar wat te noemen:

Werk – deze zomer heeft Arjen een aantal belangrijke werkgerelateerde afspraken die hem al gauw twee volle dagen gaan kosten. Spannend, gaaf en leuk. Maar ook een logistieke uitdaging.

Medische kwesties: tandarts afspraken voor ieder, huisarts, KNO arts, audioloog en kinderchirurg (zeer waarschijnlijk inclusief een operatie voor onze Benjamin).

Ons huis in Voorburg moet bekeken worden, beslissingen moeten worden genomen over eventuele benodigde renovaties.

Zelf heb ik deze zomer een spannende afspraak over mijn boek in wording met twee inmiddels zeer gewaardeerde collega debutanten, de manuscript-begeleider en Editio, de organisatie die meedenkt bij het afronden van mijn boek en wat er daarna moet gebeuren. Gaaf. Spannend.

En…

De jongens willen naar de bioscoop, iets wat in Israel vrijwel onmogelijk is vanwege het taalprobleem. Er moeten nieuwe schoenen komen voor ieder, Albert Heijn moet leeg gekocht en ik MOET naar de sauna met mijn lieve zusje want in Israel doe ik zoiets niet. Warm zat.

Volgende week vliegen we dus naar Nederland met een ‘enigszins’ gevulde agenda. De huurauto is geregeld, een vakantiehuisje voor week één idem en campings voor twee weken eveneens. En we mogen een aantal dagen gebruik maken van het huis van vrienden in Den Haag – wat een heerlijkheid! Onze ouders weten wanneer we graag bij ze logeren of bij ze op bezoek komen en al die andere afspraken staan eveneens vast. We hebben er zin in, kijken ernaar uit.

Lekker even in Nederland zijn, waar verkeersregels regels zijn en niet vatbaar voor eigen interpretatie. Waar de Albert Heijn alles verkoopt waar we maar zin in hebben. En meer. Waar de prijzen schappelijk zijn. Waar iedereen onze taal spreekt. Waar het niet zo heet is, waar het af en toe lekker plenst en waait. Waar we kunnen knuffelen met onze ouders, met neefjes en nichtjes die veel te hard groeien. Waar ik de LINDA kan kopen in papieren versie. En kranten. Waar het water uit de kraan lekker is. En zo.

Het lijkt me duidelijk: ik ben toe aan een paar weken Nederland!

 

Advertenties

Bezoedeld vertrouwen. Een rot-ervaring in Jeruzalem

Ik wilde het niet doen. En wel. En niet en toch maar wel. Laat ik het maar doen, want het is te belangrijk en er wordt waarschijnlijk al te vaak over gezwegen. Ik ga schrijven over iets waarvan ik vrees dat ik er vervelende reacties op ga krijgen en dat het in het politieke wordt getrokken. Niet doen alsjeblieft.

Ik houd van Jeruzalem.

Heel veel.

En ik me er altijd veilig gevoeld. Ondanks de terreurdreiging, ondanks (of dankzij) de zwaar bewapende politieagenten en militairen op straat. Ondanks de vele incidenten die er plaatsvinden. In Jeruzalem voel ik iets. Iets speciaals. Een verbondenheid met het eeuwige. Een verbondenheid met God. Met andere religies. Met mijn gezin. Met mezelf. Jeruzalem heeft iets dat ik nog niet eerder heb ervaren in andere steden. Met mij zijn er velen die dat gevoel herkennen. En gelukkig weten bezoekers aan dit mooie land nog steeds de weg naar Jeruzalem te vinden. Ondanks de veiligheidsincidenten. Ondanks de spanningen.

Gisteren is er iets gebeurd waardoor Jeruzalem even iets van haar veiligheid heeft verloren voor mij.

Niet dat ik de stad nu zal mijden. Maar ik zal me minder vrij bewegen door de smalle straatjes en wat ik al helemaal niet meer zal doen, is in m’n eentje onderhandelen met een verkoper als ik iets wil kopen.

Gisteren heeft een verkoper me betast. Ik heb geen zin daar over uit te wijden. Het was onprettig. En dat is een understatement.

Het gebeurde in zijn winkel. Waar hij me probeerde te overtuigen van de kwaliteit van zijn pashmina’s. Ik heb een aardige verslaving aan pashmina’s en wilde een bijzondere kopen voor een lieve vriendin in Herzlyia. Zelf heb ik er al te veel. Hoewel. Nee. Ik heb er nooit te veel van. Niet echt. Nou ja, nu misschien wel.

De verkoper zou me het verschil uitleggen tussen namaak zooi en de real thing, de pashmina van een mix van zijde en cashmere. Niet van polyester.

Ik vertrouwde hem. Hij leek aardig. Oprecht. Totdat hij zijn handen niet bleek thuis te kunnen houden. Ik stond inmiddels helemaal achterin in zijn winkeltje in de soek, in de Muslim Quarter van de oude stad. Niet zichtbaar vanuit het straatje. Enkele winkeltjes verwijderd van Arjen en de jongens die cadeautjes voor familie en vrienden in Nederland was aan het afrekenen.

Degenen die mij langer kennen, weten dat een situatie als deze voor mij extra beangstigend is. Oud zeer en zo.

Maar ik bleef kalm, hield mijn verstand erbij en sprak de man – die aan het vasten was want het is Ramadan – aan op zijn eergevoel en respect voor vrouwen terwijl ik zijn winkel verliet. Hij bleef me naschreeuwen over die rot pashmina die hij me opeens voor een spotprijs probeerde aan te smeren.

De zwaar bewapende soldaten een eindje verderop keken me na. Ik voelde hun ogen in mijn rug terwijl ik nadacht over het wel of niet melden van het incident. Wel of niet uitspreken. Wel of niet delen. Ben ik dit zelf schuld? Hoe kon ik die man zijn winkel in volgen? Waarom had ik een zomerjurkje aan? Oh ja, het was 30 graden, maar toch. Was iets bedekters niet beter geweest?

Ik heb het niet gemeld bij de soldaten. Ik was bang. Bang voor een groter incident in een Jeruzalem vol spanningen tussen Israëliërs en Palestijnen. Bang ook voor wat het met de kinderen zou doen die nu al moesten zien hoe mama gejaagd zo snel mogelijk de soek uit wilde.

Even later, inmiddels buiten de stadsmuren, voegde Arjen zich bij ons, niet begrijpend wat er was gebeurd. Pas toen ik het hem vertelde sloeg de emotie toe. Duizelig en misselijk braken de tranen door, gezeten op een terras in Mamilla (een winkelgebied net buiten Yaffa Gate). Het was al snel over want Benjamin nam mijn paniek over en had zijn moeder nodig.

Er volgde nog een hele fijne avond, we zagen en hoorden de opera Rigoletto van Verdi bij Sultan’s Pool, net buiten de muren van de stad. Schitterend. Maar iets van de sfeer was verloren voor mij. Ik voelde me naïef, vies en dom.

Nu zijn we een nacht en een flink aantal uren verder en heb ik dat rot gevoel van me af geschud. Geen enkele vrouw vraagt erom ongewenst betast te worden. Of erger, verkracht. Het maakt niet uit waar ze is, hoe ze zich kleedt, hoe aardig ze doet tegen een man. Nee is nee. En mannen horen hun handen thuis te houden.

Deze keer kon ik wegkomen. De opkomende paniekaanval kreeg ik snel onder controle en ik ben absoluut oké. Ik ben sterker dan ik lang ben geweest, kan veel meer aan en kan dit een plek geven. Maar wat baal ik ervan dat me dit is overkomen op een plek die me zo dierbaar is. Een situatie die zo stereotype bevestigend is in een tijd waarin zoveel gezegd wordt over moslims en hun intenties.

Het kost even moeite maar ik moet het zeggen. Ik laat deze ervaring mijn blik op de wereld niet verpesten. Aanranders en verkrachters komen voor in alle landen en binnen alle religies. Maar in de oude stad van Jeruzalem zul je mij niet meer zo vrij zien rondlopen als ik altijd heb gedaan. Jammer.En dat is nog een understatement.

 

 

 

 

Over oude deuren en nieuwe deuren

Drie jaar geleden, op de dag af, sloten we een avontuur af. En begonnen we aan een nieuw hoofdstuk. Het Israel hoofdstuk wel te verstaan. Wanneer een deur sluit, opent een andere. Ik denk dat vrijwel iedereen zich vasthoudt aan die gedachte als er grote veranderingen op komst zijn. Maar op het moment dat die ene deur dichtgaat, weet je nog niet wat er achter de nog gesloten deuren op je wacht. Wij waren dan ook allevier verdrietig toen we op 7 juni 2013 Tanzania achter ons lieten. Israel lonkte, Tanzania zat echter onder onze huid.

Onlangs sprak ik een vriendin uit onze Tanzania tijd. Over mijn depressiviteit, over hoe ik in elkaar zit, waar ik aan werk. Zij herinnerde me eraan dat mijn mooie herinneringen aan Tanzania de moeilijke momenten lijken te hebben weggevaagd. Want ook daar wankelde ik af en toe. Had ik moeite met mijn nog nieuwe rol in het leven, zonder het “ik werk bij Heineken” credo achter mijn naam. Na een eerste ongemakkelijk gevoel – nooit fijn, geconfronteerd worden met minder leuke herinneringen – moest ik haar gelijk geven. Typisch hoe het menselijk brein werkt, hoe uiteindelijk de mooie avonden aan zee en de spannende safari’s je herinneringen domineren terwijl de moeilijke momenten, de frustraties, verbleken en vervagen tot ze er nooit lijken te zijn geweest.

Dat gesprek met die oude vriendin, het was misschien even wat ongemakkelijk, zelfs pijnlijk. Maar zo heilzaam en nuttig. Natuurlijk nam ik haar feedback mee naar mijn volgende online gesprek met mijn psycholoog. Tijdens dat gesprek en de daaropvolgende, pelden we langzaam lagen af uit mijn verleden, de moeilijke momenten analyserend, de fijne momenten evaluerend. Wat mijn grootste worsteling is geweest sinds het verlaten van Nederland, is het verlies van identiteit. Die “ik werk bij Heineken” gedachte. Ik was niet alleen Ceciel, moeder van Thomas en Benjamin, vrouw van Arjen. Ik was ook professional, ik ontwikkelde me, ik deed werk dat er toe deed binnen de kaders die ik van kinds af aan kende. Geld, aanzien en respect verdienen door je werk bij een bekend Nederlands bedrijf. Een leven als thuismoeder was iets waar ik me in die periode helemaal, maar dan ook echt helemaal niets bij kon voorstellen. En hoewel ik het nooit zo zou hebben gezegd in die tijd, denk ik dat ik het diep  van binnen afkeurde als andere moeders met bul op zak hun carrière aan de wilgen hingen.

Dat dus. Dat was mijn worsteling. Toe te moeten geven dat ik nu ook één van die moeders was. Met bul, zonder carrière. En hoe dat onderstreept werd als ik op een receptie stond en de zoveelste gesprekspartner me vroeg: ‘So tell me, what does your husband do?’

Toen ik moest onderkennen dat het echt niet goed met me ging, was mijn vervolggedachte een voor mij erg logische: ik moet gewoon weer een baan, een carrière. En: we moeten terug naar Nederland. Zodat alles weer normaal wordt en ik weer mezelf kan zijn.

Mezelf zijn? Is Ceciel dan niet zichzelf als ze geen geld verdient? Werkelijk? Is dat het enige dat ik waardevol vind aan mezelf? Daar was werk aan de winkel, constateerde mijn psycholoog tevreden.

Deze week heb ik het deel van mijn therapie dat puur over het overwinnen van de depressiviteit gaat, afgesloten. Een training Mindfulness is de logische laatste stap op mijn pad naar, uh, helemaal mezelf zijn? Misschien, zoiets. Ik ben al een heel eind gekomen kan ik met trots en blijdschap zeggen. Ik heb veel ontdekt in de afgelopen maanden. Heel simpele dingen zoals wandelen brengt mijn geest tot rust (maar ik raak niet meer in een vrije val als het wandelen er even niet van komt). En schrijven, dát vind ik pas leuk (en kan ik best goed!). Moeder worden en moeder zijn is het mooiste dat me in mijn leven is overkomen (Arjen ontmoeten staat met stip op nummer twee, ik wil mijn geliefde niet tekort doen!). Wat ben ik dankbaar dat ik er voor de jongens kan zijn als ze uit school komen met verhalen en met huiswerk. Dat ik speelafspraken voor ze kan regelen na school, hun vriendjes ken en de moeders van die vriendjes. Dat ik tijd heb om betrokken te zijn bij school, fantastisch fijn. En mijn bestuurswerk blijkt minstens zo uitdagend, zowel inhoudelijk als procesmatig, als dat werk bij good old Heineken. Nee, ik word er niet voor betaald. Maar de impact die mijn werk heeft op het beleid en het functioneren van de school is zichtbaar na twee jaar bikkelen.

Dus misschien gaat die Mindfulness me niet naar mezelf terugbrengen. Misschien ben ik al bij mezelf terug. Hopelijk gaat het me helpen nog net iets beter om te leren gaan met spanningen en onzekerheid. Want die zullen er het komend jaar volop zijn. Dat we drie jaar geleden Tanzania verlieten, betekent namelijk ook dat we aan ons laatste jaar in Israel beginnen. Ons overplaatsingsjaar is aangebroken en we zullen zien waar onze container vol hebben en houden naartoe zal varen. De overplaatsingssystematiek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gekenmerkt door aardig wat dynamiek. Hoewel onze plaatsing hier uiterlijk over een jaar eindigt, is het mogelijk dat we voor die tijd al verhuizen. Onzekerheid is dus troef en hé, laat het nou net mijn uitdaging zijn daar beter mee te leren omgaan. Dus kom maar op met die Mindfulness training! Ik kan ‘m wel gebruiken!